De nettobijdrage
...

De nettobijdrageis het verschil tussen wat een land afdraagt aan de EU en wat het uit de Europese kas terugkrijgt onder de vorm van landbouwsteun, steun uit de structuurfondsen en beleidsuitgaven (onderzoek en ontwikkeling, onderwijs etcetera). Voorts worden ook de administratieuitgaven (lonen van ambtenaren, huur van gebouwen) meegerekend. Dit laatste is zeer belangrijk voor België omdat hier de grote Europese instellingen gevestigd zijn. De commissie rekent 60,4 procent van de administratiekosten aan als "baat" voor België. Doordat deze baten worden meegeteld verhuist België van de categorie van netto-bijdragers naar deze van netto-ontvangers.Tot de Britse toetreding in 1973 werden geen cijfers over bijdragen en ontvangsten bekendgemaakt, precies omdat gevreesd werd dat iedereen zou streven naar " le juste retour" (even veel uit Europa halen als men erin stopt) en dat gaat in tegen de solidariteit, een van de basisprincipes van de Europese eenmaking. Al meteen na hun toetreding klaagden de Britten dat hun nettobijdrage te hoog was. Op de top van Fontainebleau in 1984 zorgde premier Margaret Thatcher, die intussen beroemd was geworden met het zinnetje " I want my money back" er uiteindelijk voor dat er een correctie kwam. De Britten kregen direct 1 miljard ecu terug en zouden de jaren nadien van een correctiemechanisme kunnen genieten. Door dit mechanisme krijgen ze 66 procent terug van het verschil tussen de BTW-bijdrage en wat het Verenigd Koninkijk ontvangt uit de Europese kas. De andere landen moesten de ontstane put opvullen. Sinds Fontainebleau is de discussie over nettobijdrage blijven doorlopen. De Duitse roep om de bijdragelast te verminderen werd vooral sterk na de hereniging. Duitsland is van bij de start van de EU de grootste geldschieter. Het neemt een kleine 30 procent van de begroting voor zijn rekening.De benaderingom de kosten en baten van een lidmaatschap van de Europese constructie te bekijken vanuit het concept nettobijdrage blijft aangevochten. Ze houdt immers geen rekening met de voordelen van het voeren van een gemeenschappelijk beleid, de extra economische groei door de markintegratie en het feit dat Europa sinds een halve eeuw vrede kent. De kosten en baten van "een uur vrede" zijn nergens in de Europese begroting te vinden, wordt wel eens opgemerkt.Marie-Anne Wilssens