De fusie- en overnamekoorts laait steeds hoger op. Volgens zakenbank JP Morgan & Co. werden er vorig jaar in totaal voor 1580 miljard dollar fusie- en overnameoperaties uitgevoerd. JP Morgan verwacht dit jaar opnieuw een toename met minstens 20%.
...

De fusie- en overnamekoorts laait steeds hoger op. Volgens zakenbank JP Morgan & Co. werden er vorig jaar in totaal voor 1580 miljard dollar fusie- en overnameoperaties uitgevoerd. JP Morgan verwacht dit jaar opnieuw een toename met minstens 20%. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de Financial TimesKarel Van Miert en Joel Klein uitriep tot "de belangrijkste zakenlui" van het ogenblik. Beiden - Van Miert in Europa, Klein in de VS - zien toe op de naleving van de basisregels inzake vrije concurrentie. En dat gebeurt met een nooit geziene grondigheid: er kan in Europa geen ernstig bedrijfsdossier opduiken of EU-commissaris Van Miert heeft het bestudeerd. Vaak blijft dat trouwens niet zonder gevolgen: zo gaat de overname van Wolters Kluwer door de Brits-Nederlandse uitgever Reed Elsevier niet door, omdat de betrokken partijen vrezen dat aan deze 9 miljard dollar-overname al te strenge voorwaarden zullen worden gekoppeld. De Amerikanen komen er al niet makkelijker van af. Onder impuls van Joel Klein, assistant attorney general bij het ministerie van Justitie, wordt de Amerikaanse antitrustwetgeving weer nageleefd zoals dat vijftien jaar geleden het geval was. De grote achterdocht tegenover alles wat met bigness te maken had, was tot het einde van de jaren zeventig in de Verenigde Staten zelfs veel groter dan in Europa. Ondernemingen die een aanzienlijk marktaandeel hadden verworven, konden er zeker van zijn door de Federal Trade Commission en het ministerie van Justitie te worden ondervraagd. In de jaren tachtig evenwel keerde het tij: onder invloed van de Chicago School ging men er geleidelijk van uit dat ondernemingen alleen maar kunnen doorwegen op de markt omdat ze efficiënter en marktgerichter werkten dan hun concurrenten. De jongste jaren sloeg die houding opnieuw om. Zowel het Amerikaanse Congres als de Senaat verhoogden de druk om concentratiebewegingen niet zomaar te aanvaarden. Dat bleek onder meer uit het verzet van de anti-trustautoriteiten tegen de geplande fusie van de defensiebedrijven Lockheed Martin en Northrop Grumman. Opvallend is dat de argumenten van de Europese en Amerikaanse jagers op groot wild vaak niet verder reiken dan wat sloganeske kreten als "te verregaande concentratie" en "bedreiging van de normale concurrentieverhoudingen". Dat is spijtig, want met dergelijke slogantaal zou men wel eens het kind met het badwater kunnen weggooien. Wat is immers de essentie van een markteconomie? Voor elke onderneming is dat de mogelijkheid om, zij het dan voor een beperkte tijd, een soort van monopoliepositie te bekleden. Ze zet ondernemingen aan om innovaties door te voeren, aan productontwikkeling en marktsegmentering te doen, en zich finaal ook aan riskante investeringen te wagen. Wie op die manier een sterke positie verwerft, kan ze vervolgens alleen bestendigen door voortdurend beter te presteren. De concurrentie ligt immers steevast op de loer. Veel bedrijven onderschatten dat gevaar. Leg de Fortune Top-500's van de jongste decennia naast elkaar en meteen beschikt u over een verzameling ondernemingen die de markt op een bepaald ogenblik sterk domineerden, maar die precies daardoor indommelden. Op een blauwe maandag ontwaakten ze en stelden tot hun verbazing vast dat één of meer concurrenten hun "onoverbrugbare" achterstand plots in een voorspong hadden omgezet. Het mooiste voorbeeld van deze cyclusbeweging is IBM, dat eerst opklom tot dominante reus in de computersector, vervolgens terechtkwam in een diepe vervalfase en daar met veel bloed, tranen en herwonnen ondernemingszin opnieuw uitklom. Duurzame monopolie- of bijna-monopoliesituaties kunnen niet zomaar gedijen. Ze kunnen dat alleen als de overheid op één of andere manier tussenkomt om bestaande posities te vrijwaren - dat heeft het verleden vaak genoeg aangetoond. Dat gebeurt meestal door de toegang tot bepaalde sectoren en/of activiteiten sterk te reglementeren. Zelfs heel machtige bedrijven - denk maar aan General Motors - kunnen hun positie slechts handhaven door zich voortdurend als de beste op te werpen. Wat neerkomt op zo goed mogelijk inspelen op de behoeften van de consument. Betekent dit alles nu dat Van Miert en Klein hun jacht maar beter staken en de vrije markt haar werk laten doen? Tot op zekere hoogte zou men dat inderdaad zo kunnen stellen. Inzake prijsafspraken (zie ook het omslagverhaal over de luchtvaart, blz. 32) moeten Van Miert en Klein kort op de bal spelen. Inzake fusies, overnames en marktconcentratie evenwel dienen ze het algemeen belang het meest door heel omzichtig om te springen met interventies. Maar wellicht valt een dergelijke houding niet altijd te rijmen met de politieke situatie waarin mensen als Van Miert en Klein moeten werken. En al evenmin met de verlangens van de bureaucratie die zij leiden. JOHAN VAN OVERTVELDT