De 'ruling'-praktijk is komen overwaaien uit Nederland. Daar kan je al tientallen jaren aan de belastingadministratie vooraf een bindend akkoord vragen over de fiscale aspecten van een voorgenomen verrichting. In België is de rulingpraktijk pas sinds een tweetal jaar goed op dreef. Voorheen kon je ook al wel bij de belastingadministratie een voorafgaand akkoord vragen. Maar de materies waarin dit kon, waren beperkt. Het besluitvormingsproces was ook stroef. Rulings lieten lang op zich wachten. De beslissingen waren nooit vooruitstrevend of creatief.
...

De 'ruling'-praktijk is komen overwaaien uit Nederland. Daar kan je al tientallen jaren aan de belastingadministratie vooraf een bindend akkoord vragen over de fiscale aspecten van een voorgenomen verrichting. In België is de rulingpraktijk pas sinds een tweetal jaar goed op dreef. Voorheen kon je ook al wel bij de belastingadministratie een voorafgaand akkoord vragen. Maar de materies waarin dit kon, waren beperkt. Het besluitvormingsproces was ook stroef. Rulings lieten lang op zich wachten. De beslissingen waren nooit vooruitstrevend of creatief. Autonoom. Sinds twee jaar zorgt de rulingcommissie 'nieuwe stijl' voor een frisse wind. De nieuwe rulingcommissie bestaat slechts uit vier topambtenaren. Die beslissen als college volledig autonoom. De rulingcommissie maakt formeel wel deel uit van het grote geheel van de belastingadministratie. Maar zij is alleen aan zichzelf verantwoording verschuldigd. De beperkte omvang van het college en de autonomie maken dat de rulingcommissie snel en soepel kan inspelen op de gestelde vragen. De rulingcommissie zal wel advies vragen aan de klassieke administraties van de BTW, inkomstenbelastingen, enz. Maar uiteindelijk beslist zij alleen. Zelfs de minister van Financiën mag zich niet bemoeien. De rulingcommissie vormt als het ware een 'staat' binnen de 'staat'. Het geeft haar veel macht én mogelijkheden. Haar succes volgt ook uit het feit dat men haar kan bevragen over zeer veel fiscale aangelegenheden: over verrekenprijzen, over de vraag of een verrichting beantwoordt aan rechtmatige financiële en economische behoeften, over de hoogte van kostenvergoedingen, over de vraag of een verkoop of inbreng kadert binnen het normale beheer van een privé-patrimonium, enz. Kritiek. Toch is niet alles rozen- geur en maneschijn. In zijn editoriaal in de novembereditie van het Algemeen Fiscaal Tijdschrift somt KUL-prof Vanistendael een aantal punten op die "aanmanen tot bezinning". Het belangrijkste pijnpunt betreft de voorwaarden die de rulingcommissie aan een goedkeuring durft verbinden. Neem bv. de talrijke rulings die aangevraagd zijn in verband met de inbreng van aandelen van exploitatievennootschappen in een eigen holding. De vraag is of een dergelijke inbreng past in het normale beheer van een privépatrimonium. Als dit zo is, dan is bij de inbreng geen belasting verschuldigd. Waar de inbreng betrekking had op een meerderheidsparticipatie heeft de rulingcommissie op geen enkele aanvraag zonder meer 'ja' geantwoord. Zij heeft haar goedkeuring telkens afhankelijk gemaakt van het aangaan van een aantal 'engagementen'. Die hielden telkens in, dat de inbrenger zich moest verbinden een sperperiode van drie jaar te respecteren. Tijdens die periode mag bv. het kapitaal van de holding niet verminderd worden. Zo'n voorwaarde is nergens in de wet terug te vinden. Het is een uitvinding van de rulingcommissie. Die wil daarmee bereiken dat de verrichting een minimum aan economische substantie heeft, en niet enkel wordt opgezet om fiscale voordelen te verkrijgen. Die doelstelling is begrijpelijk. Maar voor menig jurist vormen zo'n bijkomende voorwaarden een doorn in het oog. Vanistendael vraagt zich terecht af of we op deze manier niet "verkeerd bezig" zijn. Vergadering. De rulingcommissie werkt tegenwoordig met wat in de praktijk een "prefiling meeting" wordt genoemd. Vooraleer een rulingaanvraag officieel in te dienen, vindt meestal eerst een informele vergadering plaats. Daar wordt het probleem uitgelegd, en wordt gekeken of de commissie op basis van het dossier dat voorhanden is, een positieve beslissing kan nemen. Van deze informele procedure maken de diensten van de rulingcommissie tegenwoordig bijna altijd gebruik om de aanvraag bij te sturen: aan de rulingaanvrager wordt gevraagd zijn verzoek te herformuleren en - zo nodig - van bijkomende engagementen te voorzien. Resultaat: ofwel ziet de rulingaanvrager ervan af een formele aanvraag in te dienen, omdat hij niet kan of wil tegemoetkomen aan de verzuchtingen van de rulingcommissie; ofwel is de aanvraag die nadien 'formeel' wordt ingediend zodanig aangepast, dat het antwoord bijna zeker positief zal zijn. Maar het resultaat is ook, dat de buitenwereld niet meer weet welke voorwaarden niet door de beugel kunnen. Wegens de gevolgde procedure zijn alle beslissingen die de rulingcommissie neemt, op enkele rare uitzonderingen na, positief. Zij vermelden alleen nog de voorwaarden die wel door de beugel kunnen. Naar de andere voorwaarden is het raden. Vanistendael waarschuwt voor een ongebreideld gebruik van de rulingpraktijk. Belastingadviseurs moeten hun verantwoordelijkheid nemen, en niet bij de minste twijfel aankloppen bij de rulingcommissie, zo laat hij verstaan. Op dit punt ben ik het met Vanistendael niet eens. Het behoort tot de plicht van een voorzichtig en zorgvuldig belastingadviseur zich grondig te informeren over het standpunt van de fiscus. Hoe kan dit - bij de minste twijfel - beter dan met een beroep op de rulingcommissie? Jan Van Dyck