De Belgische wet staat sinds kort gezamenlijke aanbiedingen toe, maar bouwt beperkingen in voor financiële diensten. Is dit in strijd met het Europese recht?

In een arrest van mei besloot het hof van beroep in Brussel om die vraag - bij een geschil tussen Citroën en de Federatie voor Verzekerings- en Financiële tussenpersonen - door te schuiven naar het Europees Hof van Justitie.
...

In een arrest van mei besloot het hof van beroep in Brussel om die vraag - bij een geschil tussen Citroën en de Federatie voor Verzekerings- en Financiële tussenpersonen - door te schuiven naar het Europees Hof van Justitie. In eerste aanleg had de rechtbank van koophandel in Brussel de autofabrikant verboden om de aankoop van een nieuw voertuig te koppelen aan gratis omniumverzekering van zes maanden en een financieringsovereenkomst tegen een voordelig tarief. De rechtbank baseerde zich op de Belgische wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en de consumentenbescherming. Die wet staat een gezamenlijk aanbod toe, behalve als minstens één bestanddeel van het aanbod een financiële dienst is, zoals een lening of een verzekering. Aangezien Citroën vindt dat de financieringsovereenkomst niet onder deze wet valt, tekende het beroep aan tegen de uitspraak. Citroën argumenteerde bovendien dat de bepalingen van de Belgische wet van 6 april 2010 niet stroken met de Europese richtlijn over oneerlijke handelspraktijken - deze richtlijn zegt dat de nationale wetgever uitsluitend gezamenlijke aanbiedingen kan verbieden die betrekking hebben op meerdere financiële diensten - en evenmin met het vrij verrichten van diensten in de EU. Het hof van beroep ging - naar onze mening terecht - in op het verzoek van de autofabrikant en besloot een dubbele prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie. Dat moet dus uitmaken of de Belgische wet betreffende de marktpraktijken en de consumentenbescherming in overeenstemming is met (i) de Europese richtlijn en (ii) de beginselen van vrijheid van handel. Want hoe kan men in een geïntegreerde economische omgeving zoals de EU toestaan dat een en dezelfde praktijk in de ene lidstaat verboden is en in de andere niet? Dat zou wel eens nefast kunnen worden voor de vrije mededinging. Heeft de Belgische wetgever de consument te sterk willen beschermen en daardoor fouten gemaakt bij het omzetten van de Europese wetgeving? In elk geval staat het vast dat velen van het Hof van Justitie van de Europese Unie verwachten dat het twee zaken opnieuw in balans brengt: enerzijds een 'billijke' bescherming van de consument, anderzijds de geest van openheid en vrij handelsverkeer die voor de Unie zo cruciaal is. Hebt u een vraag voor onze experts? Stuur een e-mail naar expert@trends.be. Pierre Van Fraeyenhoven, advocaat-vennoot bij Van Cutsem, Wittamer, Marnef & Partners