De auteur is hoogleraar Economie aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR).
...

De auteur is hoogleraar Economie aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Een dame van de Nederlandse radio belde me woensdagmiddag, 8 oktober. Of ik al gehoord had wie dit jaar de Nobelprijs economie had gekregen? Ik zat noest te werken en wist nog van niets. Een Amerikaan en een Brit, zei ze en ze zocht ijverig op haar briefje naar hun namen. Robert Engle en Clive Granger. Of die namen een bel deden rinkelen? Een luide bel. In de dagen daaraan voorafgaand hadden we tijdens de lunch, net als veel andere economen aan andere universiteiten, gespeculeerd over wie aan de beurt was dit jaar. Hun naam was toen gevallen. Waarom Engle en Granger? Ondertussen is duidelijk dat de Zweedse Nobelprijscommissie de prijs niet meer aan grote economen geeft voor hun levenswerk, zoals in de beginjaren. De jongste jaren bakent de Nobelprijscommissie eerst een grensverleggende ontwikkeling af. Vervolgens gaat ze op zoek naar de economen die de grens hebben verlegd. Een voorbeeld? Een paar jaar geleden besloot de commissie dat het tijd was om de speltheorie te lauweren. De speltheorie heeft onze analyse van strategisch marktgedrag totaal veranderd. Vervolgens heeft de commissie besloten dat er drie economen waren die de speltheorie binnen de economie op de kaart hebben gezet. Over één econoom van dat trio, JohnNash, werd de film ABeautiful Mind gemaakt. Dit jaar heeft de Nobelprijscommissie een belangrijke ontwikkeling in de econometrie willen honoreren. Econometrie is het vakgebied waar wiskundige en statistische technieken worden toegepast op economische onderwerpen. De dame van de radio vroeg of ik de prijs terecht vond. "Ja, volkomen terecht," reageerde ik enthousiast. Ze hebben hem gekregen voor belangrijk werk uit de jaren tachtig. Dat is heet van de naald. Vroeger werd de Nobelprijs vaak gegeven aan oude mannen die nog net op tijd worden gehuldigd voor werk dat ze een halve eeuw eerder hebben gedaan. Maar dit is een recente uitvinding. Toen vroeg ze of ik haar kon vertellen wat die mannen hadden uitgevonden. Waar hadden ze de prijs voor gekregen? Ik sprak over cointegration en ARCH-modellen. Nee, zei ze, daar heb ik niets aan. Dat begrijpen de mensen niet. Probeer nog een keer. Goed, het gaat over statistische methoden voor tijdreeksen. Wat zijn tijdreeksen? Cijfers die je op bepaalde perioden waarneemt, bijvoorbeeld per dag (zoals wisselkoersen), per maand (zoals de inflatie) of jaarlijks (zoals de groei van het nationaal inkomen). Economen zijn geïnteresseerd in verbanden tussen deze reeksen in de tijd. Beter niet uitzenden. Een voorbeeld? Volgens de economische theorie zullen wisselkoersen in de loop van de tijd de verschillen in prijsinflatie weerspiegelen. Als de Amerikaanse prijzen sneller stijgen dan de Europese (de Amerikaanse inflatie is dan hoger dan de Europese), wordt op de duur de Amerikaanse dollar minder waard ten opzichte van de euro. De wisselkoers van de euro stijgt dan, bijvoorbeeld, van 1,10 dollar voor een euro naar 1,15 dollar. Door de hogere inflatie wordt de dollar uitgehold en daarom moeten Amerikanen meer dollars betalen voor dezelfde euro. Dat is wat we theoretisch verwachten. Maar wordt die verwachting ook verwezenlijkt? Om dat te bekijken, moet je tijdreeksen verzamelen van euro-dollar-wisselkoersen en van de inflatie in Europa en Amerika. Dan leg je statistisch vast of meer inflatie in Amerika leidt tot een duurdere euro. Nu blijkt echter dat op de kortetermijnwisselkoersen van hot naar her springen, de ene dag zijn ze hoog en een paar weken later laag. De inflatie daarentegen beweegt nauwelijks en pruttelt heel rustig door. Dus je probeert met een slome tijdreeks (inflatie) iets te zeggen over een springerige tijdreeks (wisselkoers). Als je op korte periode kijkt, lijkt het of er geen enkel verband bestaat tussen wisselkoers en inflatie. Terwijl je bijna zeker weet dat er op de lange termijn echt een sterk verband moet zijn. Jaren geleden was dit een onoplosbaar probleem. In de jaren tachtig toonden Engle en Granger aan hoe je netjes heftige en rustige reeksen kon combineren en hoe je gebruikmakend van hun techniek korte- en langetermijnverbanden kon onderscheiden. Met hun techniek kan je aantonen dat inflatieverschillen op de duur wisselkoersen beïnvloeden. Hun werk is ook heel belangrijk voor de analyse van beurskoersen. Dat zijn ook reeksen waar geen pijl op te trekken valt. Maar nu wel. In die zin is hun bijdrage revolutionair. Terwijl ik mijn verhaal vertelde, werd het stil aan de andere kant van de lijn. Ik dacht dat de dame van de radio erg onder de indruk was. Toen ik ophield, zei ze: "Ik begrijp er niets van. En waarschijnlijk de luisteraar ook niet. We gaan dit niet uitzenden."Jules TheeuwesTerwijl ik mijn verhaal vertelde, werd het stil aan de andere kant van de lijn.