Er zijn plaatsen die nooit gezellig zullen lijken. De campus van UZ Gasthuisberg is er zo een. Ergens in een uithoek van het gebouw delen Thrombogenics en het universitaire Centrum voor Transgene Technologie en Gentherapie een verdieping. Ze delen ook hun directeur: Désiré Collen. De scheiding tussen beide entiteiten is nauwelijks zichtbaar, en voor een omgeving waar toponderzoek gebeurt, vertoont de verdieping-Collen opvallend veel academische chaos. Labjassen dienen hier vooral om de rugleuning te voorzien van enig decorum.
...

Er zijn plaatsen die nooit gezellig zullen lijken. De campus van UZ Gasthuisberg is er zo een. Ergens in een uithoek van het gebouw delen Thrombogenics en het universitaire Centrum voor Transgene Technologie en Gentherapie een verdieping. Ze delen ook hun directeur: Désiré Collen. De scheiding tussen beide entiteiten is nauwelijks zichtbaar, en voor een omgeving waar toponderzoek gebeurt, vertoont de verdieping-Collen opvallend veel academische chaos. Labjassen dienen hier vooral om de rugleuning te voorzien van enig decorum. Toch is dit al ruim dertig jaar de biotoop van een van de meest vooraanstaande onderzoeksgroepen in hart- en vaatziekten ter wereld. Désiré Collen is in Vlaanderen zowat de meest geciteerde wetenschappelijk auteur. Hij mag zich uitvinder noemen van tPA, een geneesmiddel tegen bloedklonters dat in 1987 door de Amerikaanse biotechonderneming Genentech - tegenwoordig een dochter van Roche - op de markt werd gebracht. De inkomsten uit de royalty's maakten de KU Leuven twee decennia lang gelukkig en stelden Collen in de mogelijkheid om zijn eigen biotechbedrijf uit de grond te stampen. Dat werd Thromb-x, intussen herdoopt tot Thrombogenics. Het succes van tPA is wellicht niet meer te evenaren, maar vorige week kwam Thrombogenics op de proppen met goed nieuws over de klinische proeven met microplasmine als middel voor de behandeling van oogziekten. "Mijn toekomst als onderzoeker ligt achter mij," bevestigt Collen. "Maar dat maakt de pijplijn van dit bedrijf niet minder interessant."DÉSIRÉ COLLEN (THROMBOGENICS). "Toch niet van bij het begin. Ik ben in Leuven terechtgekomen omdat ik geneeskunde wou studeren. Na enkele jaren kwam ik voor mijn doctoraat terecht op het lab van professor Marc Verstraete. Dat was een eenheid die zich bezighield met bloedstollingsziekten. We werkten veel met streptokinase om bloedklonters op te lossen. Omdat daar heel wat problemen mee waren, zochten we naar alternatieven. Ik botste in 1979 min of meer toevallig op een cellijn tijdens een onderzoek naar tumoren. Bleek dat die cellen veel potentieel hadden om bloedklonters op te lossen. Daaruit hebben we dan tPA ontwikkeld. Na de eerste proeven vroegen we in juni 1980 een octrooi aan via Leuven Research & Development (LRD). Drie dagen later hield ik een speech tijdens een wetenschappelijk congres in Malmö. Iemand van Genentech zat onder de toehoorders en was erg geïnteresseerd. Van het een kwam het ander. Na een paar maanden was er al een afspraak en uiteindelijk draaide die samenwerking in 1987 uit op het commercialiseren van tPA als geneesmiddel. Op dat moment was er van Thrombogenics nog geen sprake." COLLEN. "Dat klopt. Ik kreeg daar aanvankelijk ook veel kritiek op. Men zei dat het niet hoorde om een octrooi te nemen op academisch onderzoek. Nu is dat anders: als je nu geen octrooien aanvraagt, ben je geen goede onderzoeker. Achteraf bleek het trouwens een goede beslissing: van de royalty's van Genentech is eigenlijk veel op deze verdieping betaald." COLLEN. "Ik ben er financieel niet slechter van geworden. Maar ik heb wel ongeveer 80 % van wat mij per contract toekwam opnieuw in onderzoek geïnvesteerd. Ik heb nog genoeg over, dus dat kan geen kwaad." COLLEN. "Het geld was er gekomen dankzij het onderzoek. Dus, waarom zou ik de inkomsten niet opnieuw in onderzoek investeren?" COLLEN. "Eigenlijk niet. Er zijn wel discussies geweest tussen Genentech en andere firma's. Eigenlijk ben ik beginnen samenwerken met LRD in 1976. Ik was een van de eersten - zoniet de enige - die een contract had waarin stond dat de return na aftrek van de kosten met de universiteit moest worden gedeeld. "Ja, er is redelijk veel return gekomen. ( nvdr - Genentech betaalde in totaal 144 miljoen dollar tPA-royalty's aan Collen). Op een bepaald moment ontstond er wel wat discussie over hoeveel ik als hoogleraar op die manier bijverdiende. Daarop hebben we de Désiré Collen Research Foundation opgericht. Het grootste deel van de inkomsten van de eerste zeven tot acht jaar zijn daarin ondergebracht. In 1998 hebben we vervolgens mijn deel van de royalty's in Thrombogenics gestoken en de rechten van de universiteit opgekocht tegen betaling. Ruzie is daarover nooit gemaakt; maar er is wel wat afgunst geweest. Dat kan ik niet verhelpen. Ik heb ook nooit ruzie gehad met de overheid, hoewel ik natuurlijk altijd achteraan in het rijtje stond bij de verdeling van subsidies en vooraan als er geld moest worden opgehoest." COLLEN. "Onrechtstreeks wel. We hadden vooral geld nodig voor de klinische proeven. De enige manier om daaraan te geraken in 1998 was door de toekomstige royalty's in de vennootschap onder te brengen en te verkopen. De jaarlijkse inkomstenstroom was immers onvoldoende. Door de toekomstige royalty's te verkopen en naar Ierland te verhuizen, kon het bedrijf een gunstig belastingtarief genieten van 12,5 %." COLLEN. "tPA is een goed geneesmiddel, maar omdat we het in licentie gaven aan Genentech, hadden we niets te zeggen over de prijs. In de VS werd het vanaf de eerste dag verkocht tegen 2200 dollar. Zulke bedragen zijn in het grootste deel van de wereld - en niet alleen in ontwikkelingslanden - onbetaalbaar. In Groot-Brittannië bijvoorbeeld wordt tPA nauwelijks gebruikt omdat de National Health Service redelijk ondergefinancierd is. In Oost-Europa is het niet op de markt, evenmin in Zuid-Amerika en in China. Gewoon omdat de mensen het niet kunnen betalen. "Eind jaren tachtig kwam ik er samen met een Japanse collega achter dat staphylokinase veel gelijkenissen vertoonde met tPA. Het voordeel is echter dat het makkelijker te maken is, wat de kostprijs zou kunnen drukken. Dus startte ik in 1991 met Thromb-x, om dat product zelf te ontwikkelen en naar de markt te brengen."COLLEN. "Omdat je het volgens de huidige regels moet vergelijken met de beste bestaande therapie. Dat is tPA en dat drijft de kostprijs van ons klinisch onderzoek enorm op. Je moet ook aantonen dat je mortaliteit minstens even goed is als het referentieproduct van dit moment. Daarvoor heb je 20.000 patiënten nodig en dat kost meer dan 100 miljoen euro. Voor een goedkoop geneesmiddel is dat gigantisch. En een durfkapitalist voor zoiets warm maken, is al helemaal niet eenvoudig. "Het product is nu klaar voor fase III en we hopen het in licentie te geven aan een partner die het alsnog ontwikkelt voor de ontwikkelingslanden. Zo staat het trouwens in onze prospectus. Het blijft dus een goed geneesmiddel, maar we moeten ons erbij neerleggen dat wij het niet langer kunnen financieren met de hulp van een durfkapitalist."COLLEN. "Daar zijn we mee bezig. We hopen zo'n akkoord voor het eind van dit jaar rond te krijgen, maar ik kan er momenteel nog niets over zeggen." COLLEN. "Tegelijk waren de royalty's van tPA de levensader van dit bedrijf. We hebben ons onderzoek daarmee jarenlang gefinancierd. Genentech zag ook niet graag dat de centen die zij moesten doorsluizen, werden gebruikt om een concurrerend product op de markt te brengen." COLLEN. "Je moet inderdaad een pijplijn hebben om het risico te spreiden. Ik heb dat allemaal proefondervindelijk moeten leren. Dus hebben we in 1998 besloten om een productenportefeuille uit te bouwen. Dat is gelukt, grotendeels door licenties te nemen op technologie van het Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie (VIB) en het universiteitslab hier." COLLEN. "De financiering tot 2005 bestond grotendeels uit de royaltystroom van tPA en een eenmalige Amerikaanse durfkapitalistinvestering van 12,8 miljoen. Dus we wisten dat onze fondsen zouden opdrogen ( nvdr - de laatste royalty's werden in de zomer van 2006 betaald). Bovendien zijn onze programma's redelijk succesvol. Wat ook betekent dat ze steeds duurder worden. Als je klinische trials doet, kost dat 10.000 tot 15.000 euro per patiënt. Dus hadden we kapitaal nodig. Bij een private plaatsing verwatert je aandeel. Een beursgang kost ook geld, maar als je uiteindelijk door die procedure bent, geniet je meer visibiliteit. Het moment was trouwens rijp: je kan moeilijk geloofwaardig naar de beurs trekken met slechts één product. Wij hadden dus in 1998 nooit naar de beurs kunnen gaan." COLLEN. "Ja, er was toen een bubbel op de beurs." COLLEN. "Dat is een beetje het gevolg van de mentaliteitswijziging, zowel bij de academici en financiers als bij de overheid. Op dat terrein heeft het VIB zeker een rol gespeeld en ook de Vlaamse overheid heeft een bijdrage geleverd door technologiecampussen en biotechincubatoren te bouwen. Het is nog niet gemakkelijk om in België te investeren. We blijven een duur land. Het kost hier fortuinen om een bedrijf uit de grond te stampen. Er zijn veel nadelen, maar er zijn ook voordelen. Nu de kritische massa er is, begint de biotechnologie hier geloofwaardigheid te krijgen. Maar zijn er nu veel biotechbedrijven? Proportioneel doet de VS het nog zoveel beter. De sector staat in Vlaanderen nog maar aan het begin." COLLEN. "Ja, maar eigenlijk is de firma pas echt gestart in 1998. De eerste jaren zaten we nog veel meer binnen de universiteit. De universiteit en ikzelf betaalden elk 350.000 euro om het bedrijf op te starten, maar uiteindelijk lag dat nog allemaal in het verlengde van het academisch onderzoek. Dat is heel wat anders dan het uitbouwen van drug development. We waren wel productgeoriënteerd, maar met alle academische vrijheid die we gewend waren. Dus ja, twintig jaar is relatief. Het systematisch werken als bedrijf is eigenlijk pas begonnen in 1998 en werd nog sterker toen East Hill Biopharmaceutical Partners in 2001 in het kapitaal stapte." COLLEN. "Als ik het opnieuw moest doen, zou ik het wellicht anders aanpakken. Maar spijt heb ik niet. Ik weet zelfs niet goed wat ik anders zou doen. Het is fantastisch zoals het is gelopen. Tegenwoordig heb ik, als CEO van een beursonderneming, een ander leven: de informatieverplichting, je moet voortdurend voorzichtig zijn en uiteindelijk zijn de mensen die het geld op tafel leggen de baas." COLLEN. "Stress heb ik daar niet van. Ik ben nu 63 en dan relativeer je makkelijker. De kleinste tegenslag - zelfs zonder grond - kan jouw koers en beurswaarde doen kelderen. Daartegenover staat dat goed nieuws een duidelijk hefboomeffect heeft." COLLEN. "Hier op de universiteit wel. Maar bij Thrombogenics blijf ik actief. Tenzij er een goede opvolger wordt gevonden. Ik ben zeker mijn affiniteit voor het bedrijf niet kwijt omdat ik 65 word. Of die leeftijd geschikt is om nog als CEO rond te hossen, weet ik niet. Maar dat beslis ik ook niet zelf; dat hangt af van de houding van de raad van bestuur." COLLEN. "Neen. Daar kan ik heel formeel over zijn. Maar als er een goede kandidaat komt, zal ik me tegen die persoon ook niet verzetten." COLLEN. "Wel, ik heb er het grootste deel van mijn persoonlijke vermogen in geïnvesteerd. Het lijkt me dus logisch dat ik me sterk verbonden voel met de onderneming. Maar ik kan ook wat afstand nemen. Trouwens, we werken hier met een systeem waarin iedereen zijn verantwoordelijkheid opneemt. Ik ben niet de waakhond van het senior management, maar ze moeten natuurlijk wel rapporteren aan mij en aan de raad van bestuur. Maar dat valt best mee, want ik ben helemaal niet autoritair; ik geloof meer in teamwerk en van die dingen." COLLEN. "Nu meer dan vroeger. Mijn vrouw heeft de kinderen opgevoed. Nu zijn ze weg natuurlijk en hebben ze geen tijd meer voor mij." COLLEN. "Mijn enige hobby is vliegen. Ik ben piloot, al is het alweer drie maanden geleden dat ik nog eens in mijn vliegtuig stapte." Het is moeilijk om vermogend te zijn... COLLEN. "Ik ben niet zo vermogend. Ik kan een nieuwe auto kopen als mijn huidige kapot gaat en ik heb een klein vliegtuigje. Een eenmotorige Cessna. Maar daar blijft het bij. Ik heb mijn levensstijl, maar een groter huis of een jacht of een groter vliegtuig, dat interesseert me niet. Ik geloof dat het wel goed is dat je op het einde van de maand je geld niet hoeft te tellen. Maar vanaf een bepaald niveau is méér luxe alleen maar verspilling. Dan investeer ik liever in onderzoek." Geboren op 21 juni 1943. Doctor in de geneeskunde, KU Leuven. Doctor in de scheikunde, KU Leuven. Onderzoeker Karolinska Institutet Stockholm. Hoogleraar KU Leuven. Gastdocent Harvard Medical School. Directeur Centrum voor Transgene Technologie en Genentherapie. CEO Thrombogenics. Roeland Byl