Het is die Koreanen menens. Hyundai wil immers doorstoten naar de wereldtop. Zich in de top vijf gaan nestelen, misschien wel de top drie der autoconstructeurs. Om die ambitie waar te maken, moet het voldoen aan twee voorwaarden: producten aanbieden die getuigen van kwaliteit; en in zoveel mogelijk segmenten meespelen. Het eerste konden we proeven, telkens we een Hyundai in deze rubriek opvoerden. Aan het tweede wordt serieus gewerkt. De Koreaanse constructeur scoort met zijn terreinwagens, de Santa Fe en Tucson, probeert met de Grandeur aan...

Het is die Koreanen menens. Hyundai wil immers doorstoten naar de wereldtop. Zich in de top vijf gaan nestelen, misschien wel de top drie der autoconstructeurs. Om die ambitie waar te maken, moet het voldoen aan twee voorwaarden: producten aanbieden die getuigen van kwaliteit; en in zoveel mogelijk segmenten meespelen. Het eerste konden we proeven, telkens we een Hyundai in deze rubriek opvoerden. Aan het tweede wordt serieus gewerkt. De Koreaanse constructeur scoort met zijn terreinwagens, de Santa Fe en Tucson, probeert met de Grandeur aanwezig te zijn in de categorie van de BMW 5 Reeks of Audi A6 (een weliswaar heikele oefening ...), en blijft ook andere segmenten bespelen. Zoals met die heerlijk mooie coupé waarvan we op het Salon van Genève al een glimp konden opvangen ( zie Over drive). Natuurlijk hoort in een volledige portfolio ook een stadsmus. De Atos, die het grote publiek nooit echt kon overtuigen, krijgt dus een opvolger die er meteen heel wat dynamischer uitziet. Een compact stadswagentje dat desnoods ook zijn mannetje staat op de autoweg, zo stelden we vast tijdens een korte test met de dieselversie. Maar in de eerste plaats is de i10 een auto voor de stad. Hij is niet eens vier meter lang, zodat je hem in het kleinste gat parkeert. Bovendien is hij gezinsvriendelijk, want vijfdeurs. De kinderen raken er vlotjes in terwijl de boodschappen langs de achterklep heel snel in de koffer (225 liter, behoorlijk) verdwijnen. Met een beetje goede wil raak je achterin zelfs twee volwassenen kwijt. Kleine auto's als de i10 blijven immers verrassen met de handige indeling van het interieur, dat ondanks de bescheiden buitenafmetingen een indruk van grote binnenruimte creëert. Dat interieur houdt overigens de lijn aan van de andere Hyundais: modern en verzorgd, getuigend van een zeer degelijke afwerking. Ook hier immers geen piepje of kraakje, zelfs niet op kasseien. In het vooronder is het dus kiezen uit een benzinemotor en een diesel, beide met een cilinderinhoud van 1100 cc. De zelfontbrander is een driecilinder, en dat is toch even wennen voor wie nooit eerder met zo'n mechaniek reed. Driecilinders die zich met diesel laten voeden, produceren immers een rauw geluid en hebben de neiging om snel in de toeren te klimmen. Gecombineerd zorgen die twee fenomenen voor een soort sportief gevoel: het lijkt alsof je met een kleine sprinter rijdt. Vooral voor autominnende zielen is dat een uitnodiging om de motor ook heel sportief te gebruiken, en dat is uiteraard niet de bedoeling. Als je er rationeel mee fietst, blijft deze dieselmotor met common rail heel zuinig: onder de vijf liter. Kortom: ideaal voor het tweede gezinsautootje dat vooral voor boodschappen wordt gebruikt. (T) Ad van Poppel