"LAAGGESCHOOLDEN LEVEN acht jaar minder lang", kopt Visie, het weekblad van de Christelijke Mutualiteit. Zulke kreten roepen bij mij drie vragen op. Zou het waar zijn? Als het waar is, hoe zou dat komen? En heeft werk daar iets mee te maken?
...

"LAAGGESCHOOLDEN LEVEN acht jaar minder lang", kopt Visie, het weekblad van de Christelijke Mutualiteit. Zulke kreten roepen bij mij drie vragen op. Zou het waar zijn? Als het waar is, hoe zou dat komen? En heeft werk daar iets mee te maken? Studie na studie heeft inderdaad aangetoond dat hoogopgeleiden veel langer leven dan laagopgeleiden. Het verschil loopt in Rusland bijvoorbeeld op tot dertien jaar. In zowat alle landen van Europa blijkt opleiding je verschillende levensjaren cadeau te geven. De dag dat ik als emeritus professor voor Sint-Pieter sta en mijn dossier bepleit voor een uiterst kort verblijf in het vagevuur, zal ik stellen: nee, laaggeschoolden leven niet acht jaar minder, ik heb mijn studenten geholpen acht jaar langer te leven. Je dokter verlengt je leven, maar je prof ook. REST NOG DE MEEST RELEVANTE verklaring te vinden. De eerste hypothese is de darwiniaanse. De sterken hebben zowel meer kans op overleven als kans op succes in moeilijke opleidingen. Er bestaat een soort übermenschgen en de dragers ervan zijn in alle domeinen bevoordeeld. Is de natuurlijk slimste ook de natuurlijk gezondste? Als je echt pech hebt gehad in de loterij van de genen, is er een reële kans dat je zowel ongezond als niet al te begaafd bent. Die politiek niet zo correcte veronderstelling is wetenschappelijk vrij goed onderbouwd. Veel studies vonden een verband tussen IQ en gezondheid, ook als buiten beschouwing wordt gelaten dat beter opgeleide mensen betere banen hebben. Maar toch is de kans groot dat het effect onrechtstreeks is, en dus niet in de genen zit. Bijvoorbeeld: pas sinds bekend is hoe schadelijk roken is, hebben studies vastgesteld dat slimme mensen minder roken dan domme mensen. En de zwakkeren van gezondheid hebben nog een tweede nadeel: ze zijn minder bestand tegen examenstress, zijn ziek als er belangrijke examens zijn, zijn sneller vermoeid en kunnen niet lang aan een stuk studeren. EEN TWEEDE VERKLARING is ook niet al te politiek correct. Een hoge opleiding kost moeite en vergt wilskracht. Ook voor een gezonde levensstijl is wilskracht nodig. Ook daar komen we dicht bij de winnaars versus de losers, maar er zijn nauwelijks studies bekend die die hypothese hard maken. Wilskracht is bovendien geen persoonlijkheidseigenschap die zomaar over alle gedragingen heen kan worden veralgemeend. Iedereen kent mensen die met veel wilskracht de top hebben bereikt, maar niet nee kunnen zeggen tegen een sigaret. Er zijn ook jongens die lezen niet volhouden, maar wel urenlang in weer en wind met de fiets trainen of in videospelletjes het allerhoogste niveau bereiken. Studeren vraagt discipline en gezond leven ook. Er zal wel enig verband zijn, maar niemand weet hoe sterk het is. Kinderen met een zwakke studiediscipline kunnen uiteraard met de juiste begeleiding wel successen boeken. Want wilskracht zit zeker niet alleen in de genen. En de kans op een goede begeleiding is groter in kringen van hoogopgeleiden dan in kringen van laagopgeleiden. EEN DERDE VERKLARING is dat hooggeschoolden gewoonweg beter weten wat een gezonde levensstijl is. Daar heb ik lang geleden zelf onderzoek naar gedaan. Ik bepaalde zelfs een voedings-IQ. De resultaten waren onthutsend. Hoe jonger en hoe lager opgeleid iemand is, hoe lager zijn voedings-IQ is. Als je niet weet dat je van veel cola drinken verdikt, ben je zwaarlijvig zonder dat je weet waarom. Je kunt zonder meer aannemen dat hoogopgeleiden meer lezen en beter begrijpen wat ze lezen. En uiteraard is dat proces niet beperkt tot voeding, maar betreft het ook vragen zoals: wanneer ga je naar een dokter en wanneer niet? Volgende week bekijken we de meer werkgerelateerde oorzaken en de vraag of een werkgever iets kan doen als hij weet dat hooggeschoolden zoveel jaren langer leven.