Het openstellen van de grenzen voor burgers uit de nieuwe EU-landen gebeurt maar mondjesmaat. Sommige landen, zoals Zweden of Groot-Brittannië, hebben gekozen voor de vlucht vooruit en hebben hun arbeidsmarkt tamelijk snel opengesteld voor werknemers uit de nieuwe EU-landen, bij andere heeft het veel weg van een processie van Echternach. Zo ook in België, waar uiteindelijk nu ook Polen, Slovaken en Esten welkom zijn zonder veel hinderpalen te moeten overwinnen, zij het wel dat ze enkel voor het invullen van knelpuntberoepen in aanmerking komen. De vrees om overspoeld te worden door laaggeschoolde arbeidskrachten blijft dus bestaan, en dat heeft ook een effect op de houding ten opzichte van het openstellen van de arbeidsmarkt voor universitair opgeleiden.
...

Het openstellen van de grenzen voor burgers uit de nieuwe EU-landen gebeurt maar mondjesmaat. Sommige landen, zoals Zweden of Groot-Brittannië, hebben gekozen voor de vlucht vooruit en hebben hun arbeidsmarkt tamelijk snel opengesteld voor werknemers uit de nieuwe EU-landen, bij andere heeft het veel weg van een processie van Echternach. Zo ook in België, waar uiteindelijk nu ook Polen, Slovaken en Esten welkom zijn zonder veel hinderpalen te moeten overwinnen, zij het wel dat ze enkel voor het invullen van knelpuntberoepen in aanmerking komen. De vrees om overspoeld te worden door laaggeschoolde arbeidskrachten blijft dus bestaan, en dat heeft ook een effect op de houding ten opzichte van het openstellen van de arbeidsmarkt voor universitair opgeleiden. "De economische effecten van hoogopgeleide migratie zijn over het algemeen positief," zo luidt de analyse van Jakob von Weizsäcker, onderzoeker bij de Brussels-Europese denktank Bruegel en auteur van de studie Welcome to Europe (1) over migratie van hooggeschoolden. "Maar de impact van het aantrekken van minder opgeleide werkkrachten is niet zo duidelijk. Laaggeschoolde migratie ligt om politieke en economische redenen zeer gevoelig, maar dat is daarom nog geen reden om op alle vlakken de grenzen dicht te willen houden." Integendeel. Volgens berekeningen van Bruegel kampt de Europese Unie met een tekort aan hooggeschoolden. Het aantal hoger opgeleiden (laten we het criterium van een masterdiploma nemen) dat in het buitenland geboren is, bedraagt in de lidstaten van de Europese Unie zelden meer dan 4 % van de bevolking. In landen als Australië, Canada en Zwitserland loopt dat op tot 5 % à 10 %. Die landen trekken grijze cellen uit het buitenland aan via een puntensysteem. Een systeem dat ook binnen de EU gebruikt kan worden. Bruegel pleit voor de invoering van een blue card (een Europese variant van de Amerikaanse green card). Het moet voor niet-Europese hooggeschoolden op die manier veel makkelijker worden om hier aan de slag te gaan. Afgestudeerden met een masterdiploma dat evenveel waard is als van de Europese universiteiten of topuniversiteiten elders in de wereld, zouden onmiddellijk in aanmerking moeten komen voor een blue card. Daarmee wordt jong talent snel aangetrokken. Probleem is dat de grenzen voor hooggeschoolden gesloten blijven met het alibi dat de laaggeschoolde migratie onder controle moet worden gehouden. Het gaat hier echter om twee verschillende situaties. Bovendien kent de Europese Unie de voorbije dertig jaar al een sterke migratie. De sterkste stijging kenden we zelfs in het begin van de eeuw met de immigratie naar de EU-15 vanuit Oost-Europa. De nettomigratie in de EU-15 is gestegen van één per duizend inwoners in 1990 naar vier in de periode 2000-2004. In de VS is ze gedaald van bijna vier naar drie. "Hooggeschoolde migratie is levensnoodzakelijk als Europa nog iets wil realiseren van de Lissabondoelstellingen," schrijft Von Weizsäcker. "Daarmee komt het bijna mythische beeld van de kenniseconomie dichterbij. Maar in verschillende kringen blijft men op de rem staan. Het principe van de lump of labour fallacy wordt al te vaak gehanteerd. Die stelling houdt in dat er in elke economie een vast aantal jobs is en dat wanneer iemand een job verliest, een andere die inneemt, maar dat er geen sprake is van extra tewerkstelling. Een ondertussen gedateerde stelling." Het is bovendien duidelijk dat een hooggeschoolde voor een aantal extra jobs zorgt (medewerkers, secretariaat, ...). In de Oesolanden bestaan grote verschillen in het aandeel van buitenlandse hooggeschoolden in de bevolking. Het is niet alleen interessant om te kijken naar het aantal buitenlandse hooggeschoolden in de bevolking. Daarnaast moeten we ook een vergelijking maken tussen het percentage van de lokale bevolking dat een masterdiploma heeft en het percentage van de niet-ingezetenen met hetzelfde diploma. In landen als Canada, Zwitserland en Australië hebben respectievelijk 38 %, 23 % en 43 % van de buitenlanders een universitair diploma. Dat percentage ligt gemiddeld 5 % hoger dan bij de binnenlandse bevolking. Buitenlandse hooggeschoolden zijn in die landen dus oververtegenwoordigd. In Duitsland heeft 20 % van de natives een universitair diploma en maar 15 % van de buitenlanders. Dat valt te verklaren door het verleden van het land dat een groot aantal laaggeschoolde buitenlandse werkkrachten heeft aangetrokken. In België is de verhouding tussen lokale en buitenlandse masters amper verschillend (22,9 % versus 21,6 %) - al moet de verklaring hiervoor gezocht worden in de aanwezigheid van Europese en internationale instellingen in Brussel. Hebben de verschillende cijfers te maken met een specifiek migratiebeleid of met de aanwezigheid van bepaalde instellingen? In Zwitserland zijn een aantal internationale organisaties gevestigd (IOC, Wereldgezondheidsorganisatie, Internationale Arbeidsorganisatie, ...) en dat kan een rol spelen. We zouden een aantal gegevens kunnen relativeren, omdat de Engelstalige landen bevoordeeld zijn. Via hun universiteiten trekken ze meer buitenlanders aan die dan ter plaatse beginnen aan een eerste job en in het land blijven. Het Bruegelonderzoek nuanceert die bedenkingen. In de VS ligt het aantal buitenlandse gediplomeerden (25,9 % van de niet-Amerikanen) zelfs 1 % lager dan van de Amerikanen zelf. Al kan dat kleine verschil te verklaren zijn door de grote aanwezigheid van laaggeschoolde latino's. Volgens Bruegel ligt de oorzaak elders. Landen als Canada hebben een puntensysteem ingevoerd voor het aantrekken van buitenlandse hooggeschoolden. Om te beginnen, moet de kandidaat-migrant al een zekere werkervaring hebben voor hij in aanmerking kan komen voor het puntensysteem. Wie zich in Canada wil vestigen, moet bovendien 67 op 96 halen nadat punten via een screening worden toegekend. Elke situatie wordt geanalyseerd op basis van volgende factoren: opleiding (max. 25 punten) kennis van de taal (max. 20 punten) werkervaring (max. 21 punten) jongere migranten krijgen extra punten (max. 10 punten) een job beschikbaar voor hen in Canada (max. 10 punten) familiebanden in Canada of zich in een situatie bevinden dat men zich snel kan aanpassen (max. 10 punten) Al die factoren combineren een economisch potentieel met het verhogen van de kans op een succesvolle integratie. Dankzij de sterke aanwezigheid van grijze cellen wordt de economie ondersteund en krijgt ook de productiviteit een impuls. De vraag die we ons natuurlijk kunnen stellen, is wat de impact zou zijn van een veralgemeend puntensysteem binnen de Europese Unie. Bestaat het risico niet dat de verschillende lidstaten zullen moeten vechten om de meest interessante werkkrachten uit de toch beperkte pool van universitairen te plukken? Die kans is volgens experts relatief klein aangezien het aantal universitairen wereldwijd aan het toenemen is. In de Europese Unie is het aantal universiteitsstudenten op vijftien jaar tijd gestegen van 11 miljoen naar 17 miljoen. Maar de meest indrukwekkende groei deed zich voor in China met een stijging van 3 naar 15 miljoen en in India met een stijging van 5 naar 11 miljoen. De tien meest bevolkte landen ter wereld (zonder de EU en de VS) hebben nu meer studenten dan de EU en de VS samen. Een tekort aan hooggeschoolden zit er dus niet direct aan te komen. Nu het duidelijk is dat de stijgende vraag naar hooggeschoolden zal leiden tot een aangepaste migratiewetgeving, moeten we ons de vraag stellen of dat ook zal gebeuren met het aanbod. Zullen de hooggeschoolden niet verkiezen om ter plaatse te blijven? Ze kunnen lokaal ook bijdragen tot een hogere productiviteit. Von Weizsäcker vermeldt twee factoren die hooggeschoolden ertoe aanzetten om hun thuisland te verlaten. De lonen blijven er lager, de instellingen zijn er minder goed uitgebouwd en er zijn agglomeratie-effecten. De immigratie in veel landen situeert zich rond de duurste plaatsen, zoals de hoofdstad. Daar ligt de productiviteit ook hoger en daar komen hun kwaliteiten ook het meest tot uiting en is ook de verloning navenant. Op dat vlak beschikt de EU over belangrijke troeven: stabiele instellingen en grote agglomeraties. De vrees die er in het land van ontvangst wel zal ontstaan, is de impact van looneffecten. Door het hogere aanbod aan hooggeschoolden zal dat een neerwaarts effect hebben op de lonen. Von Weizsäcker vindt dat een logische theorie, maar stelt zich toch vragen bij de impact ervan. Een stijging van de immigratie met 1 % zou de lonen met slechts 0,12 % doen dalen en de tewerkstelling met 0,024 %. Het is immers zo dat immigranten zich vooral gaan vestigen in die regio's of steden waar de economische activiteit het sterkst is en waar de lonen ook het hoogst liggen. Het negatieve looneffect zal dus gecompenseerd worden door het feit dat het hier over een gebied gaat waar de lonen sterk boven het gemiddelde liggen. De negatieve effecten van hooggeschoolde immigratie zijn te zoeken met een vergrootglas. Voordelen die Bruegel noemt, zijn de impact of fiscaal vlak. Ook de sociale spanningen zullen beperkt blijven, omdat hooggeschoolde immigranten bij minder goed functionerende arbeidsmarkten niet zo snel in de werkloosheid zullen terechtkomen. Onderzoek van Eurostat toont aan dat de werkloosheidsgraad van hooggeschoolden gemiddeld rond 5 % draait, terwijl die bij lagergeschoolden 10 % is. Von Weizsäcker: "Dit toont duidelijk aan dat de arbeidsmarkt makkelijker in staat zal zijn om hooggeschoolden te absorberen dan laaggeschoolden."Zijn er dan geen argumenten meer tegen het openstellen van de grenzen voor hooggeschoolden? Zeker wel. Tegenstanders van een versoepeling van de migratie waarschuwen voor een braindrain vanuit het thuisland. Ook financieel zal er een impact zijn, want plots zijn er minder hooggeschoolden en dus ook minder grootverdieners in het thuisland die daar belastingen betalen. Von Weizsäcker ziet ook positieve impulsen: de mogelijkheid om naar het buitenland te gaan werken met een hoger loon zal mensen er ook toe aanzetten om te kiezen voor een hogere opleiding. En immigranten kunnen na een aantal jaar met hun opgedane kennis terug naar het thuisland gaan en hun expertise daar ter beschikking stellen. Om het oorsprongland toch wat op korte termijn te kunnen laten profiteren van de activiteiten van hun uitgeweken bollebozen, pleit Bruegel voor de toepassing van de Bhagwatitaks, waarbij een speciale inkomstenbelasting wordt geheven op de hooggeschoolde immigranten die dan naar het land van oorsprong kunnen worden gezonden. Al geeft men toe dat de concrete uitvoering ervan niet zo eenvoudig is. De conclusie van het Bruegelrapport is alvast duidelijk: de grenzen moeten op Europees niveau worden opengesteld. Een Europese blue card die verkregen wordt op basis van een puntensysteem dat overal in Europa van toepassing is, zou Europa toelaten om beter te concurreren met de VS voor het aantrekken van talent. Want er is ook een braindrain vanuit Europa naar die regio. Europeanen die in de VS doctoreren, komen niet snel terug naar de heimat. Over het gevoelige thema van de lagergeschoolde immigratie spreekt Bruegel zich niet echt uit. Dat wordt beter verder aan de lidstaten overgelaten. Bovendien pleit Bruegel ook voor een blue diploma, waarbij iemand die een master is uit een lijst van universiteiten direct in aanmerking kan voor een blue card. Dat zouden afgestudeerden zijn van Europese universiteiten die er daardoor op hun beurt in zouden slagen om extra buitenlanders aan te trekken. De graad van master is voldoende voor een blue card en de kandidaat zou niet worden onderworpen aan het puntensysteem. Daarnaast zouden ook honderd niet-Europese universiteiten zo'n diploma moeten kunnen geven. Al moeten we ons hier afvragen of het Europese competitieve voordeel daarmee niet wordt geneutraliseerd. (1) Jacob von Weizsäcker, Welcome to Europe. Bruegel, Brussel, 2006.Alain Mouton