De bijzondere ministerraad van enkele weken geleden werd gehouden op een prestigieuze kasteelhoeve annex restaurant. Toeval of niet, maar tijdens deze ministerraad is meteen beslist om de fiscale aftrek van restaurantkosten in het voordeel van de belastingplichtigen te herzien.
...

De bijzondere ministerraad van enkele weken geleden werd gehouden op een prestigieuze kasteelhoeve annex restaurant. Toeval of niet, maar tijdens deze ministerraad is meteen beslist om de fiscale aftrek van restaurantkosten in het voordeel van de belastingplichtigen te herzien. Aftrek. Tot vandaag zijn beroepsmatig gemaakte restaurantkosten in de regel slechts voor de helft aftrekbaar. Dat maakt een zakenlunch bijzonder duur. Vergeet immers niet dat ook op het gebied van de BTW een strenge regeling van toepassing is. BTW-plichtigen hebben in principe recht op de recuperatie van de BTW die zij beroepsmatig betalen op de goederen of diensten die zij afnemen. Maar die recuperatie is uitgesloten zodra het (onder meer) om restaurantkosten gaat. De betaalde BTW vormt daarmee, samen met de prijs van de genoten maaltijd, een kost die bij de inkomstenbelasting weliswaar in principe als beroepskost aftrekbaar is, maar waarvan de aftrek slechts voor de helft wordt aanvaard. De rest moet worden betaald uit de winst na belasting. Buitenland. Op de halvering van de aftrek als beroepskost bestaan wel enkele uitzonderingen. Zo wordt in de praktijk aanvaard dat restaurantkosten die gemaakt worden tijdens zakenreizen in het buitenland, niet onder de aftrekbeperking vallen. Opmerkelijk is dat deze uitzondering nergens in de wet zelf terug te vinden is. Daar staat gewoon te lezen dat beroepsmatige restaurantkosten slechts voor de helft aftrekbaar zijn. Van een uitzondering voor zakenreizen in het buitenland vindt u daar geen spoor. Maar toen de aftrekbeperking indertijd werd ingevoerd, heeft de toenmalige minister van Financiën gezegd dat zakenreizen in het buitenland ontzien zouden worden. Die toezegging is daarna door de administratie overgenomen en in de praktijk ook toegepast. Vandaar dat restaurantkosten vandaag nog altijd voor het geheel aftrekbaar zijn als ze gemaakt zijn tijdens zakenreizen in het buitenland, en slechts voor de helft als ze gemaakt worden in België. Let wel, met een zakenreis in het buitenland bedoelt de administratie een echte zakenreis, en niet een ritje tot vlak over de grens om daar in een plaatselijk restaurant uitgebreid te tafelen. Opheffing. Wat er ook van zij, tijdens de bijzondere ministerraad is beslist om het verschil in behandeling tussen zakenreizen in het buitenland en restaurantbezoeken in het binnenland op te heffen. Die beslissing heeft overigens niet veel om het lijf. Op de keper beschouwd, valt er immers niets op te heffen. Want zoals gezegd, heeft de wet nooit een onderscheid gemaakt. Eigenlijk houdt de beslissing slechts in dat de overheid nu ten aanzien van restaurantkosten tijdens zakenreizen in het buitenland gewoon de wet zal toepassen, zoals ze dat al jaren ten aanzien van restaurantkosten in het binnenland doet. Tegelijk is ook beslist de aftrekbaarheid van de restaurantkosten te verhogen. Tot nog toe zijn zij slechts voor de helft aftrekbaar. Met ingang van het inkomstenjaar 2004 zou de aftrek verhoogd worden tot 62,5 %, en vanaf het inkomstenjaar 2005 tot 75 %. Voor die verhogingen is wel een wetswijziging nodig. Het aftrekpercentage staat immers uitdrukkelijk in de wet zelf vermeld. Bedrijfswagens. De neiging van ministers van Financiën om - los van hetgeen in de wettekst te lezen staat - afwijkende regelingen toe te staan, heeft er in het verleden toe geleid dat restaurantkosten tijdens zakenreizen in het buitenland volledig aftrekbaar bleven. Vandaag zorgt diezelfde neiging voor een nieuwe uitzondering, ditmaal op het gebied van de voordelen van alle aard in verband met bedrijfswagens. Wie van zijn werkgever een bedrijfswagen ter beschikking krijgt en die wagen ook voor privé-doeleinden mag aanwenden (woon-werkverkeer en andere privé-verplaatsingen) is belastbaar op een voordeel van alle aard. Dat voordeel moet krachtens de wet berekend worden op basis van het werkelijke aantal privé-kilometers. In de reglementering staat bovendien te lezen dat de administratie altijd (zodra er privé-gebruik is) rekening moet houden met minstens 5000 privé-kilometers per jaar. De grens van 5000 kilometer is een absoluut minimum. Wie meer privé-kilometers rijdt, is belastbaar op een voordeel van alle aard dat berekend moet worden uitgaande van dat hogere aantal. Niettemin heeft de minister van Financiën aangekondigd dat voortaan in de praktijk slechts rekening gehouden moet worden met een forfaitair aantal privé-kilometers van 5000 of 7500, naargelang de afstand tussen de woonplaats en de werkplaats niet meer dan, of meer dan 25 kilometer bedraagt. De wettelijke minimumgrens van 5000 km wordt zodoende gepromoveerd tot maximum voor wie niet meer dan 25 km tussen woon- en werkplaats te overbruggen heeft. De minister verruimt daarmee een administratieve uitzondering die een aantal jaren geleden al ten aanzien van publieke mandatarissen is gemaakt. Blij. Moeten we blij zijn met die verruiming? Allicht wel. Maar het feest is pas echt geslaagd als de minister zich de moeite zou getroosten om de regeling in de wettekst (of het uitvoeringsbesluit) te verankeren. Dat gebeurt nu niet. De nieuwe regeling zal alleen bestaan bij de gratie van een administratieve richtlijn die indruist tegen hetgeen in de wet te lezen staat. Het gevolg is dat zij noodzakelijk onzeker blijft. Rechters zijn immers minder dan ooit geneigd om rekening te houden met zaken die niet in de wet terug te vinden zijn. Jan Van DyckDe aftrek van restaurantkosten stijgt progressief naar 75 %.