Volgens de vakbonden is de loonhandicap met de buurlanden bijna weggewerkt. Volgens de werkgevers blijft de kloof enorm. Over de omvang van de Belgische loonkostenhandicap doen heel uiteenlopende cijfers de ronde.
...

Volgens de vakbonden is de loonhandicap met de buurlanden bijna weggewerkt. Volgens de werkgevers blijft de kloof enorm. Over de omvang van de Belgische loonkostenhandicap doen heel uiteenlopende cijfers de ronde. Een loonkostenhandicap van 2,9 procent tegenover Nederland, Duitsland en Frankrijk: het is het cijfer dat we dezer dagen het meeste horen. Het cijfer komt uit het recentste technische verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB). Die 2,9 procent heeft betrekking op 2014. In 2013 was er nog een loonkloof van 4,2 procent. Het gaat om de loonhandicap berekend op basis van de uurloonkosten sinds 1996, het jaar dat de wet op het concurrentievermogen van kracht werd. De daling van de loonhandicap in 2014 is een gevolg van de loonmatiging onder de vorige regering en van de verdere vermindering van de werkgeversbijdragen. Door die loonmatiging namen de lonen in de privésector in 2014 slechts toe met 0,8 procent, waarvan 0,7 procent door loonindexering en 0,1 procent door baremieke loonstijgingen buiten de indexering. In de referentielidstaten stegen de lonen in de privésector in 2014 gemiddeld met 2,1 procent. De werkgevers hanteren steevast een ander cijfer. Zij hebben het over een loonkostenhandicap van 16,5 procent. Dat is de zogenoemde historische loonhandicap. Daarbij wordt niet alleen rekening gehouden met de loonevolutie sinds 1996, ook de loonkosten van daarvoor worden meegeteld. Het gaat eveneens om een loonhandicap uitgedrukt in uurloonkosten. Met een uurloonkostprijs van 38 euro staat België al jaren mee aan de kop in Europa. In de algemene loonkostenrangschikking moet ons land enkel de Scandinavische landen laten voorgaan: in Zweden bedroegen de uurloonkosten vorig jaar 40,1 euro en in Denemarken 38,4 euro. De buurlanden komen kort achter België: Luxemburg (met een uurloonkostprijs van 35,7 euro), Frankrijk (34,3 euro) en Nederland (33,2 euro) bezetten de volgende plaatsen in de rangschikking. Duitsland (31,3 euro) staat iets verderop. De gemiddelde uurloonkostprijs van al die landen komt uit boven het gemiddelde van de EU-28, dat 23,7 euro bedraagt. De rapporten van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), die al jaren als basis dienen voor de loononderhandelingen, vertrekken altijd van de uurloonkosten. Nochtans vinden economen een ander criterium veel relevanter voor de berekening van de looncompetitiviteit: de relatieve loonkosten of de loonkosten per eenheid product. Dat zijn de loonkosten gecorrigeerd voor productiviteit. Die bedraagt in België zo'n 10 procent, gemeten sinds 1996 (zie grafiek). De vakbonden wijzen er steevast op dat de Belgische loonkosten best hoog mogen zijn, omdat onze productiviteit hoog ligt. Maar het cijfer toont aan dat de hoge Belgische arbeidsproductiviteit de loonkostenhandicap ten opzichte van de buurlanden niet neutraliseert. Het ABVV vindt de meeste cijfers over de Belgische loonhandicap fel overdreven. Op basis van een lijvig rapport over de Belgische concurrentiekracht uit 2013 komt de socialistische vakbond tot de conclusie dat de Belgische loonhandicap ten opzichte van de buurlanden nauwelijks 0,5 procent bedraagt. Dat cijfer wordt bereikt door alle loonsubsidies mee te tellen voor 11 miljard euro. Dat is goed voor 4 procent van de loonmassa, tegenover 0,5 procent in andere landen. Maar het ABVV neemt ook de subsidies in rekening in de non-profit en in het dienstenchequestelsel. Terwijl dat sectoren zijn die niet blootstaan aan internationale concurrentie. ALAIN MOUTON