De auteur is fiscaal advocaat bij de balie van Brussel.
...

De auteur is fiscaal advocaat bij de balie van Brussel.De meeste bedrijfsleiders van familiale KMO's worden vroeg of laat geconfronteerd met het probleem van de opvolging. Wie zal het bedrijf voortzetten na de pensionering van de bedrijfsleider? Wanneer de bedrijfsleider behalve een bedrijf ook nog een kroostrijk gezin leidt, worden de problemen er niet eenvoudiger op. De bedrijfsleider plaatst al zijn kinderen op voet van gelijkheid en wil dan ook de economische gelijkheid tussen hen respecteren. Maar niet alle kinderen lijken even geschikt of geïnteresseerd om het roer van het familiale bedrijf over te nemen. In het belang van het bedrijf duidt de manager best het bekwaamste kind aan als opvolger. Of dat ook in het belang van zijn gezinsgeluk is, is een andere vraag. De andere kinderen mogen zich immers niet financieel benadeeld voelen. Beide doelstellingen zijn echter niet zo onverzoenbaar als ze op het eerste gezicht lijken. We bekijken vier mogelijke manieren om de opvolging van het bedrijf te regelen. U zult het misschien niet geloven, maar dit is - weliswaar geheel ten onrechte - nog steeds een populaire techniek bij menig Belgisch bedrijfsleider. U herkent dit type bedrijfsleider hieraan: hij leidt een rendabel bedrijf, ziet geen heil in verandering, denkt dat het bedrijf niet zonder hem kan terwijl het andersom is, heeft zijn kinderen officieel op de loonlijst van zijn bedrijf staan maar je ziet ze zelden op de werkvloer, heeft een aversie voor geneesheren en denkt dat hij zijn bedrijf eeuwig zelf zal blijven leiden. En bij zijn overlijden zijn de kinderen bijzonder verbouwereerd omdat er niets geregeld is en ze successierechten moeten betalen. Voor het bedrijf beginnen dan pas de problemen. De kinderen hebben immers alle aandelen geërfd. Ofwel achten ze zich allen bekwaam om het bedrijf verder te leiden en staat het bedrijf binnen de kortste keren op zijn kop, ofwel beseffen ze dat het bedrijf best geleid wordt door hun ene broer, die al jaren in het bedrijf werkt, en zijn ze bereid om hun aandelenparticipatie aan hem over te dragen voor een prijs waarmee je een klein derdewereldland gedurende een halfjaar van voldoende voedsel en elektriciteit kan voorzien. Die broer moet in dat geval zulke zware financiële verbintenissen aangaan, dat de toekomstige rentabiliteit van het bedrijf wordt gehypothekeerd. Plan A is geen echt plan. U kent uw gezin als geen ander en meent dat het in ieders belang is dat het bedrijf wordt verkocht bij uw pensionering. Als u de firma verkoopt aan een economisch onafhankelijke derde, is de meerwaarde vrijgesteld van inkomstenbelastingen. De opbrengst is veel eenvoudiger uit te geven of te verdelen onder uw kinderen dan het bedrijf zelf. Of de kinderen het geld erven dan wel gekregen hebben tijdens het leven van de ouders, geen van de kinderen kan zich financieel benadeeld voelen. Het bedrijf nalaten aan een bekwame zoon of dochter zonder uzelf of uw andere kinderen financieel te benadelen, is heel goed mogelijk. Eén techniek daarvoor is de aandelen van de familiale onderneming te schenken aan het meest bekwame kind, met voorbehoud van vruchtgebruik voor de ouders. Zodoende kunt u nog steeds het stemrecht uitoefenen op de algemene vergadering van aandeelhouders (als de statuten dat recht toekennen aan de vruchtgebruiker) en u kunt de dividenden van de familiale onderneming opstrijken. De ouders zijn dus als vruchtgebruiker levenslang beschermd. Maar ook de begunstigde verdient bescherming tegen zijn broers of zussen. U moet namelijk vermijden dat de opvolger na het overlijden van beide ouders geconfronteerd wordt met vorderingen tot inkorting in natura die zijn broers of zussen instellen. Door die vorderingen kunnen zij alsnog eigenaar worden van de aandelen van de familiale vennootschap die destijds aan de opvolger waren toebedeeld. Dit kunt u vermijden door de aandelen te vervreemden onder voorbehoud van vruchtgebruik aan het bekwaamste kind en de andere kinderen te laten instemmen met deze vervreemding. Een vervreemding kan zowel een verkoop als een schenking zijn. Hoe werkt deze regeling? Vervreemdingen aan erfgenamen in rechte lijn met voorbehoud van vruchtgebruik worden vermoed in werkelijkheid schenkingen te zijn. Als iemand aan zijn erfgenaam in rechte lijn een goed vervreemdt met voorbehoud van vruchtgebruik, moet deze schenking voor de waarde in volle eigendom (zonder rekening te houden met het vruchtgebruik op de schenking) worden aangerekend op het beschikbare deel. Het beschikbare deel is het deel waarover de erflater vrij kan beschikken (in tegenstelling tot de reserve). Het overschot - dat ontstaat wanneer de schenking het beschikbare deel overschrijdt - is onderworpen aan inkorting. De aanrekening op het beschikbare deel veronderstelt dat de ouders een bepaald kind meer dan zijn reservedeel hebben willen geven. Het houdt een bevoordeling in ten aanzien van de andere erfgenamen. Wanneer de schenking wordt aangerekend op het beschikbare deel, vermoedt men dat het een schenking buiten erfdeel betreft. Die is vrijgesteld van inbreng bij het overlijden van de schenker. Dat laatste is een vermoeden in het voordeel van de reservataire erfgenaam. Door de rechtsleer wordt echter meer en meer aanvaard dat dit een weerlegbaar vermoeden is, waardoor de schenker vooralsnog zou kunnen bepalen dat de vervreemding geschiedt als een voorschot op het erfdeel (zodat er geen sprake is van bevoordeling). Het verdient dan ook aanbeveling om duidelijk te bepalen dat de schenking als een voorschot op het erfdeel (gelijkheid tussen erfgenamen) of als 'buiten deel' (ongelijkheid tussen reservataire erfgenamen) moet worden beschouwd. Het probleem voor de begiftigde van de aandelen van de familiale vennootschap zit hem in de mogelijke inkorting door zijn broers of zussen. De inkorting gebeurt in de regel in natura: wat te veel is geschonken (de aantasting van de reserve) moet in natura worden teruggegeven. In bepaalde gevallen wordt een daadwerkelijke teruggave van de geschonken goederen vervangen door de inkorting in waarde, dat wil zeggen: de betaling van een som geld (de tegenwaarde van wat te veel is geschonken). Deze uitzondering wordt meestal alleen toegestaan als de begiftigde van de schenking een erfgerechtigde is en de erfgoederen zodoende toch in de familie blijven. Men neemt aan dat de schenking die wordt gedaan - als er een inkorting gebeurt -, wordt ingekort in waarde (maar van de volle eigendom). Op die manier kan men al verhinderen dat de opvolger (die intussen al jaren het bedrijf leidt) na het overlijden van de ouders de aandelen van de familiale vennootschap gedeeltelijk moet teruggeven aan zijn broers of zussen. Het ergste wat hem kan overkomen, is de betaling van een opleg (in waarde) aan zijn broers of zussen, in de mate dat het beschikbare deel zou zijn overschreden.Ook bij een vervreemding onder voorbehoud van vruchtgebruik als voorschot op het erfdeel is deze techniek interessant. Het geschonken goed wordt dan definitief aan de begunstigde toebedeeld - zonder dat de gelijkheid van de erfgenamen wordt doorbroken - omdat de begiftigde de schenking in waarde kan inbrengen (voor zover de andere erfgenamen niet met de schenking hebben ingestemd). De ouders kunnen echter nog een stap verder gaan, als zij de overige kinderen zover krijgen dat ze instemmen met de schenking onder voorbehoud van vruchtgebruik aan het bekwame kind. De toerekening en de inkorting kunnen niet meer gevorderd worden door de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent en die in de vervreemding hebben toegestemd. Deze toestemming komt er volgens het Hof van Cassatie op neer dat aan de erfgerechtigden die met de schenking instemden, de mogelijkheid wordt ontnomen om nog een aanrekening van die schenkingen te vragen op het beschikbare deel om ze eventueel te doen inkorten. De medeondertekening heeft alleen tot effect dat de instemmende erfgerechtigden ten aanzien van die schenking afstand doen van hun recht om aanrekening en inkorting te vorderen. Normaliter kan tijdens het leven van de schenkers niet verzaakt worden aan het recht om de inkorting te vorderen. Dit betekent dat duidelijk en zonder twijfel moet vaststaan dat de andere reservataire erfgenamen aan hun medeondertekening deze draagwijdte hebben willen geven. Sommigen zijn van oordeel dat de toestemming van de andere erfgenamen er eigenlijk op neerkomt dat de vervreemding ten opzichte van de toestemmende reservataire erfgenamen definitief als ten bezwarende titel wordt erkend. Dit geldt ook, maar op een fictieve wijze, voor instemmingen met de openlijke schenking onder voorbehoud van vruchtgebruik. In dat scenario impliceert de instemming dat de reservataire erfgenamen ermee akkoord gaan de schenking fictief als een vervreemding ten bezwarende titel aan te merken, zodat de vervreemde goederen niet tot de fictieve massa behoren en ontsnappen aan elke vordering tot inbreng of inkorting. Hoe dan ook komt de instemming erop neer dat het vervreemde goed het vermogen van de ouder(s) op definitieve wijze heeft verlaten en het bij de latere vereffening en verdeling van de nalatenschap niet ter sprake komt. Het houdt dus een afstand van recht in, zodat ze niet vermoed wordt, maar klaar en duidelijk moet gebeurd zijn en met kennis van zaken. Dit betekent onder meer dat alleen meerderjarige bekwame erfgerechtigden rechtsgeldig afstand kunnen doen. De voogd kan niet in plaats van de minderjarige afstand doen. Het gevolg van deze afstand is echter wel dat men aanneemt dat de begiftigde nooit een schenking heeft ontvangen. Hij kan voor het overige dus delen in de nalatenschap zonder dat de schenking hem zal worden aangerekend. De overige erfgenamen moeten zich hier zeker bewust van zijn. Het zal dan ook geen sinecure zijn om de anderen te laten instemmen. Veel hangt af van de manier waarop de zaken voorgesteld worden. Wanneer de ouders aan hun drie kinderen bijvoorbeeld een gelijke som geld schenken en vervolgens de aandelen onder voorbehoud van vruchtgebruik verkopen aan één kind (die hiervoor de geschonken geldsom aanwendt) met instemming van de andere kinderen, dan behoren de aandelen definitief aan het ene kind toe. De gekochte aandelen kunnen niet meer het voorwerp uitmaken van een vordering tot inkorting. De kans is reëel dat de waarde van de familiale aandelen op het ogenblik van het overlijden van de erflater aanzienlijk zal zijn gestegen. Aangezien echter alle reservataire erfgenamen uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van het recht om inbreng en inkorting te vorderen, hebben ze niet meer het recht om op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap van de erflater inbreng te eisen van de aandelen (tegen de op dat ogenblik geldende waarde) en is een eventuele waardestijging van het bedrijf (grotendeels dankzij de inspanningen van de opvolger) zonder invloed op de nalatenschap. En dat was de bedoeling van plan D. Didier Van LaereAls alle kinderen ermee instemmen, komen de geschonken aandelen bij de latere verdeling van de nalatenschap niet meer ter sprake.