Wie wat rondkijkt, vindt nog altijd economische ranglijstjes waarin de Verenigde Staten in de hoogste regionen vertoeven, of aan de top staan. In de Fortune Global 500 bijvoorbeeld, die de grootste bedrijven van de wereld rangschikt volgens omzet, staat de Amerikaanse distributiereus Walmart op nummer één, met 482 miljard dollar.
...

Wie wat rondkijkt, vindt nog altijd economische ranglijstjes waarin de Verenigde Staten in de hoogste regionen vertoeven, of aan de top staan. In de Fortune Global 500 bijvoorbeeld, die de grootste bedrijven van de wereld rangschikt volgens omzet, staat de Amerikaanse distributiereus Walmart op nummer één, met 482 miljard dollar. De Amerikaanse economie is de grootste van de wereld, althans in nominale cijfers. Als je corrigeert voor de levensduurte, moet het land China laten voorgaan, volgens cijfers van het Internationaal Monetair Fonds. Als we de rangschikking maken volgens het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking - of de welvaart van de gemiddelde burger, opnieuw gecorrigeerd voor de levensduurte - dan vallen de Verenigde Staten terug naar de elfde plaats, voorafgegaan door landen als Zwitserland, Singapore en een groep steenrijke oliestaatjes. Hoe ziet de Amerikaanse economie er vanbinnen uit? Zoals in elk hoog ontwikkeld land maakt de dienstensector het grootste deel uit van de economische activiteit uit, of zowat 80 procent. De industrie vertegenwoordigt ongeveer 15 procent. De jongste decennia heeft die aan concurrentiekracht ingeboet, want 80 procent van de Amerikaanse invoer bestaat uit goederen. Denk maar aan de Chinese elektronica. Maar toch blijft de Amerikaanse industrie sterk. Twee derde van de Amerikaanse uitvoer bestaat uit hoogwaardige producten, zoals vliegtuigen en industriële machines. Toch hebben de Amerikanen al jaren een tekort op hun goederenbalans en een hardnekkig deficit op hun lopende rekening, wat erop wijst dat het land boven zijn stand leeft. Anderzijds volstaat de instroom van buitenlands kapitaal om het gat in de lopende rekening te dichten. Blijkbaar blijven de internationale geldschieters vertrouwen hebben in de Amerikaanse economie. Wereldwijd is het land nog altijd een van de belangrijkste bestemmingen voor buitenlandse investeringen. Een alarmsignaal is de stelselmatige daling van de productiviteit. Daardoor verliest de economie aan kracht, aldus het rapport van Harvard Business School. Tussen 1950 en 1969 bedroeg de economische groei nog 4,4 procent per jaar, om daarna langzaam af te takelen, tot amper 1,8 procent per jaar tussen 2000 en 2009. De voorbije jaren herstelde de economie wel van de crisis, maar dat herstel is sinds de Tweede Wereldoorlog nooit zo traag verlopen. Tegelijk zakt de productiviteit verder weg, onder meer door een gebrek aan investeringen. In 2016 dreigt de productiviteit zelfs negatief te worden. Met een werkloosheidsgraad onder de 16- tot 64-jarigen van 5,1 procent lijkt de Amerikaanse arbeidsmarkt het wonderwel te doen, maar dat is schijn. De arbeidsmarktparticipatie is al sinds 1997 aan het teruglopen. Dat duwt de werkloosheidsgraad kunstmatig naar beneden. Was de arbeidsmarktparticipatie op het niveau van 1997 gebleven, dan zat de werkloosheidsgraad vandaag aan een forse 11,1 procent. Erger is dat de arbeidsmarktparticipatie meer daalt bij de jonge generaties dan bij de oude. De verklaring ligt allicht in scholingsverschillen, aldus het rapport van Jan Rivkin en Michael Porter. Om mee te kunnen in deze wereld moet je goed geschoold zijn, en daar moeten de Amerikaanse jongeren het afleggen tegen hun buitenlandse generatiegenoten. In de OESO-rangschikking van het aandeel afgestudeerden van het hoger onderwijs bij 25- tot 34-jarigen halen de Verenigde Staten een magere elfde plaats. In dezelfde rangschikking voor 55- tot 64-jarigen staat het land op nummer drie, wat wijst op een aftakelend scholingsniveau. Uiteraard staan de Amerikanen niet alleen met hun problemen. De afbrokkeling van de productiviteit en de groei zie je in heel wat westerse landen. Bovendien zijn de Verenigde Staten in veel aspecten nog altijd haantje-de-voorste, zoals innovatie en ondernemerschap.