De auteur is directeur van het Instituut voor Persoonlijke Financiële Planning.
...

De auteur is directeur van het Instituut voor Persoonlijke Financiële Planning. Hoe jonger uw kind, hoe minder zorgen u ermee hebt. Wasje, plasje, papje en het kind is tevreden. Zodra het naar school gaat, komen er niet alleen meer zorgen bij, maar ook meer kosten. En dat gaat crescendo tot de kinderen zijn afgestudeerd. Uit recent onderzoek blijkt dat kleuteronderwijs tussen 175 en 200 euro per jaar kost. De lagere school levert al een factuur tussen 330 en 500 euro per jaar op. Op de middelbare school gaan de kosten nog verder omhoog: gemiddeld meer dan 840 euro per jaar en dat kan verder oplopen naargelang van de studierichting. Pas als de kinderen universitaire studies aanvatten, moet u echt diep in de buidel tasten. Het inschrijvingsgeld bedraagt gemiddeld 488 euro, tenzij uw kind een beurs krijgt. Dan is de prijs ongeveer 80 euro. En dan betaalt u nog zo'n 500 euro voor het cursusgeld, tussen 200 en 400 euro per maand voor het kot of voor vervoer en het wekelijkse zakgeld. Zo komen we op een bedrag van meer dan 5000 euro per jaar. Je zal maar twee goed studerende kinderen hebben. Gelukkig bestaat er nog zoiets als studietoelagen om de kosten van het onderwijs een stuk draaglijker te maken. Die krijgt u natuurlijk niet zomaar. Wat zijn de voorwaarden voor een studietoelage en op welke tegemoetkoming mag u rekenen? Om recht te hebben op een studietoelage moet de gezinssituatie van de leerling of student aan een aantal voorwaarden voldoen. In de eerste plaats moet de nationaliteitsvereiste vervuld zijn. Voor Belgen vormt dat geen probleem. Ten tweede speelt de fiscale en financiële afhankelijkheid een rol. De student of leerling kan ten laste zijn van de ouders (toestand op 31 december 2003) of van een derde persoon, hij kan gehuwd of samenwonend zijn (enkel toepasselijk voor het hoger en universitair onderwijs) en hij kan een alleenstaand of zelfstandig student zijn. 1. Als de student ten laste van een derde persoon valt, moet hij het bewijs leveren dat dit al vijf jaar het geval is. Het bewijs wordt geleverd door de inschrijving in het Rijksregister of door een gelijkwaardig attest afgeleverd door het gemeentebestuur. Bovendien moet de student fiscaal ten laste zijn van deze persoon of moet die voor de student kinderbijslag ontvangen. De student moet dus een volwaardig lid zijn van het gezin waarin hij werd opgenomen. 2. Het kan ook gebeuren dat de student al is gehuwd of samenwoont, en ten laste van zijn echtgeno(o)t(e) of partner is. Om misbruiken te voorkomen, moet hij aantonen dat de cohabitatie een duurzaam karakter heeft en economisch levensvatbaar is. Er wordt bijvoorbeeld onderzocht of het huwelijks- of samenlevingscontract werd aangegaan uiterlijk voor 31 december 2003. Is er geen contract, dan moet uit de inschrijving in het Rijksregister blijken dat de student minstens een jaar ononderbroken samenwoont met zijn partner en een gemeenschappelijke huishouding heeft. De economische leefbaarheid is bewezen als de partner een voldoende hoog inkomen heeft of zal hebben. Als de partner al werkt, wordt het inkomstenjaar 2001 bekeken. Werkt de partner nog niet, dan moet die bewijzen dat hij een voldoende groot inkomen zal genieten ten minste acht maanden vóór 30 september 2004. Een voldoende groot inkomen wordt hier begrepen als een netto belastbaar bedrijfsinkomen van minstens 3060,61 euro, een bestaansminimum, een uitkering (in geval van ziekte), een werkloosheidsvergoeding of een ander vervangingsinkomen. 3. Een zelfstandig student is iemand die financieel volledig onafhankelijk is. Dit betekent dat de student niet meer ten laste is van de ouders en ook niet gehuwd of samenwonend is. De financiële onafhankelijkheid moet wel bewezen worden. Hierover doen de gekste verhalen de ronde. Het volstaat niet de student te domiciliëren op een andere plaats, omdat domicilie hier niet relevant is. De student moet aantonen dat hij een eigen netto belastbaar bedrijfsinkomen heeft van minstens 7365,62 euro gedurende achttien maanden in een periode van drie jaar die de studies of de aanvraag tot toelage voorafgaat. De student hoeft dus niet achttien maanden onafgebroken gewerkt te hebben. Aan deze voorwaarde moet uiterlijk op 31 december 2003 zijn voldaan. 4. Wanneer de student alleenstaand is, valt hij niet financieel ten laste van een andere persoon omdat hij op niemand een beroep kan doen. Dat komt voor wanneer iemand een volle wees is, de ouders ontzet zijn uit hun ouderlijke macht of als hij erkend is als politiek vluchteling door het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen. Ook studenten die meerderjarig geworden zijn en daardoor niet meer ten laste zijn van een Comité voor Bijzondere Jeugdzorg of een jeugdrechtbank, worden als alleenstaanden beschouwd. De student moet hiervan het bewijs niet leveren. Vervolgens wordt rekening gehouden met het inkomen van de persoon waarvan de student of leerling ten laste is en het aantal andere personen ten laste. Bij het berekenen van het aantal personen ten laste, wordt een van de ouders geteld als persoon ten laste, ook al heeft die een eigen beroepsinkomen en ook al zijn de ouders gescheiden. Gezinsleden die in 2003 nettobestaansmiddelen van meer dan 2450 euro hebben, komen niet in aanmerking als persoon ten laste. Dat bedrag wordt verhoogd tot 3540 euro voor kinderen van eenoudergezinnen en tot 4490 euro voor (minstens 66 %) gehandicapte kinderen in diezelfde gezinnen. Gezinsleden die ook zelf nog hoger onderwijs volgen, tellen dubbel mee. Voorbeeld. Alex vat hogere studies aan en woont nog thuis. Zijn beide ouders hebben een beroepsinkomen. Alex heeft nog een zus van 23 jaar die universitair onderwijs volgt. Er zijn dus vier personen ten laste: Alex, zijn moeder en zijn zus (tweemaal). Het grensbedrag voor het inkomen bedraagt 31.198,12 Ook het kadastraal inkomen (KI) heeft een invloed op de toekenning van een studietoelage. Het KI is minder van belang voor een studietoelage voor het hoger onderwijs, maar des te meer voor een toelage voor het secundair onderwijs. Men spreekt hier van de zogenaamde 20 %-regel. Het geïndexeerde KI van de onroerende goederen (gebouwen en gronden) die in het bezit zijn van de persoon die de student of leerling ten laste heeft of door die persoon worden gehuurd, mag niet meer bedragen dan 20 % van het globaal belastbaar inkomen (afzonderlijk plus gezamenlijk belastbaar inkomen). Het KI van gebouwen die voor beroepsdoeleinden worden gebruikt, is vrijgesteld. Bovendien wordt een correctie doorgevoerd voor het aantal personen ten laste. Voor het hoger onderwijs is een relatieve grens ingebouwd. Wanneer de som van de KI's kleiner of gelijk is aan 1784,83 euro, wordt de toelage toch toegekend. Deze 20 %-beperking geldt niet als de student of leerling alleenstaand, zelfstandig of gehuwd is. De leerling moet zorgen dat hij voltijds studeert zolang hij leerplichtig is. Bovendien moet hij elk jaar slagen (A- of B-attest). Is de leerling niet langer leerplichtig, dan mag hij niet meer dan één jaar gedubbeld hebben. Studenten die hoger onderwijs volgen, moeten ingeschreven zijn aan een erkende onderwijsinstelling en geslaagd zijn in het vorige studiejaar. Wie niet slaagt of een alternatief traject volgt, kan aanspraak maken op de zogenaamde jokerbeurs. Deze joker kan de student eenmaal inzetten als hij een jaar moet overdoen of een andere studierichting kiest. Het bedrag van de toelage wordt berekend op basis van alle elementen die we hierboven hebben vermeld. Voor het secundair onderwijs variëren de toelagen van 93 tot 1403 euro, afhankelijk van het gezinsinkomen en het aantal personen ten laste. In het hoger onderwijs bedragen de studietoelagen tussen 198,31 en 2886 euro (kotstudent) of 1783 euro (niet-kotstudent). Jo StremerschOok het kadastraal inkomen heeft een invloed op de toekenning van een studietoelage.