België blijft met een aanzienlijke loonkostenhandicap sukkelen, waardoor er in ons land gemiddeld minder werk wordt gecreëerd dan in de ons omringende landen. De loonhandicap bedroeg in 1996 nog 7,3 % ten opzichte van onze concurrenten; intussen is dat opgelopen tot 10,4 %.
...

België blijft met een aanzienlijke loonkostenhandicap sukkelen, waardoor er in ons land gemiddeld minder werk wordt gecreëerd dan in de ons omringende landen. De loonhandicap bedroeg in 1996 nog 7,3 % ten opzichte van onze concurrenten; intussen is dat opgelopen tot 10,4 %. De loonhandicap is vooral hoog voor gekwalificeerd personeel en kaderleden. De loonwig (het verschil tussen loonkosten en nettoloon) is voor alle werknemerscategorieën aanzienlijk, maar is vooral bij kaderleden zeer hoog. Volgens het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) verliest België daardoor zijn aantrekkingskracht bij buitenlandse investeerders. Dat blijkt ook uit de cijfers: terwijl België halverwege de jaren negentig nog gemiddeld 5,3 % van de Amerikaanse investeringen aantrok, is dat nu gezakt naar minder dan 1 %. De regering- Verhofstadt beklemtoonde dan wel dat ze jobcreatie liefst 4 miljard euro goedkoper heeft gemaakt, de werkgevers namen daar geen genoegen mee. Bij het begin van de regeerperiode voerde de regering een structurele lastenverlaging van 800 euro per werknemer door. Een tweede lastenverlaging voor de werkgevers zou volgen, maar daar kwam niets van in huis. De werkgeversorganisaties vragen dan ook met aandrang dat de financiële lasten op het bedrijfsleven verder worden verlaagd om ze op hetzelfde niveau te brengen van die in onze buurlanden. Er wordt gesproken van een verlaging van de werkgeversbijdragen met 1,4 miljard euro. Op het stuk van de verlaging van de lasten op arbeid lanceert de VLD voorstellen die ondernemers als muziek in de oren moeten klinken. De partij stelt een verlaging van de loonkosten voor door middel van een verdere algemene verlaging van de werkgeversbijdragen met minstens 1,5 miljard euro. Dat moet het niveau van de werkgeversbijdragen in procent van de brutolonen op een internationaal vergelijkbaar peil brengen. De verlaging van de lasten op arbeid moet ook worden uitgebreid tot alle vormen van deeltijdse en uitzendarbeid. Daarnaast pleiten de liberalen voor een afschaffing van de belasting op de laagste lonen. Voor de hogere lonen willen ze opnieuw een plafond voor de sociale bijdragen, wat moet leiden tot meer hoogwaardige en creatieve banen, onder meer in onderzoekscentra en laboratoria. Ook de CD&V is gewonnen voor een verlaging van de loonkosten, maar plakt daar geen concreet cijfer op. De christen-democraten pleiten wel voor een meerjarenplan om de werkgeversbijdragen te verlagen. In 1998 had de CD&V een gelijkaardig voorstel gelanceerd: zes keer 450 miljoen euro. Ook wil de partij een verlaging van de loonkosten in die segmenten van de arbeidsmarkt waar de kwantiteitsaanpassingen of terugverdieneffecten het grootst zijn. Met andere woorden: een lastenverlaging die zich richt op de hoogste en de laagste lonen. SP.A biedt wel cijfers: een extra lastenverlaging van 452 miljoen euro, meer bepaald 367 miljoen euro minder patronale bijdragen en 85 miljoen minder persoonlijke bijdragen. Dat is minder ambitieus dan de liberalen, maar de SP.A richt zich dan ook vooral op de lagere lonen (maximaal 2000 euro bruto per maand). De SP.A wil met de lastenverlaging de dienstensector arbeidsintensiever maken. Die blijft aan belang winnen, is sterk lokaal gericht en biedt werk aan heel wat laaggeschoolden (ze denken vooral aan toerisme, logistiek, poetsdiensten enzovoort). De CD&V waarschuwt er in zijn programma voor dat lastenverlagingen niet gecompenseerd mogen worden door andere, bijvoorbeeld 'groene' belastingen. Daarmee staan de christen-democraten diametraal tegenover Agalev, dat de verlaging van de lasten op arbeid wil compenseren door de milieuheffingen (waaronder de CO2-energieheffing) te verhogen. Agalev pleit in zijn programma ook onomwonden voor een belasting op kapitaalinkomsten. Ook Spirit wil dat een lastenverlaging bepaalde zwakke categorieën vooruithelpt. Bovendien moet de verlaging worden gefinancierd met een hogere BTW op milieuonvriendelijke producten en een belasting op inkomens uit vermogen. De N-VA is evenzeer voorstander van de verlaging van de lasten op arbeid, als daarvoor iets in de plaats komt: een engagement van de werkgevers om met de vrijgekomen middelen nieuwe arbeidsplaatsen te creëren of ze minstens te behouden in moeilijke sectoren. De vraag is natuurlijk hoe je zoiets concreet afdwingt. De lastenverlaging kan er komen door de kinderbijslag en de gezondheidszorg uit de brutoloonkosten te halen. Die moeten uit de algemene middelen (belastingen) worden gefinancierd. Het Vlaams Blok ten slotte beperkt zich met te zeggen dat België de lasten op arbeid moet verlagen om zo de concurrentie met onze buurlanden te garanderen. Het Blok schiet met scherp naar de regering-Verhofstadt, die maar een deel van de beloofde lastenverlaging daadwerkelijk doorvoerde. A.M.