Op 20 april 2010 vond een explosie plaats op een olieboorplaform van BP in de Golf van Mexico. Tien arbeiders lieten daarbij het leven en zeventien raakten gewond. Het platform zonk weg en gedurende drie maanden gutste olie uit de bron in de zee, in totaal 200 miljoen vaten. Meteen de grootste ecologische ramp in de Amerikaanse geschiedenis.
...

Op 20 april 2010 vond een explosie plaats op een olieboorplaform van BP in de Golf van Mexico. Tien arbeiders lieten daarbij het leven en zeventien raakten gewond. Het platform zonk weg en gedurende drie maanden gutste olie uit de bron in de zee, in totaal 200 miljoen vaten. Meteen de grootste ecologische ramp in de Amerikaanse geschiedenis. In In Too Deep: BP and the Drilling Race That Took It Down leggen de Bloomberg-journalisten Stanley Reed en Alison Fitzgerald uit hoe het zo ver is kunnen komen. De schuldige voor de ramp is niet zozeer Tony Hayward, toen CEO van het bedrijf en ondertussen vertrokken aan het hoofd van BP. De verantwoordelijkheid ligt vooral bij zijn voorganger John Browne die twaalf jaar aan het hoofd van BP stond en er een cultuur van kostenbesparingen heeft geïntroduceerd. Zonder direct rekening te houden met de risico's die dit met zich bracht. Browne is de man die van BP "de Goldman Sachs van de oliesector maakte". Hij lag niet alleen aan de basis van grote fusies met Arco en Amoco, hij zorgde er ook voor dat de olieproducent voet aan de grond kreeg in Rusland, Alaska en de Golf van Mexico. Dat laatste met de steun van de overheden in de VS die er zich altijd van bewust zijn geweest dat de massale honger naar brandstof van de Amerikaanse bevolking enkel gestild kan worden als ook op ongewone plaatsen naar olie wordt geboord. In de Golf van Mexico is BP zeer succesvol geweest, want het bedrijf haalde bij de ontginning een vervangingsratio van 130 procent. Het haalde er dus 30 procent meer olie op dan het verkocht. BP kreeg er van de overheid vrij spel, zoals dat trouwens altijd het geval is geweest. Stanley Reed volgt de oliesector al tien jaar en brengt in het boek een weinig fraai beeld van de geschiedenis van BP. Het begint in de jaren vijftig wanneer de VS en Groot-Brittannië onder het goedkeurende oog van de oliemaatschappij de democratisch verkozen regering van Mossadegh in Iran omverwierpen. BP vreesde dat de petroleumbelangen er geschaad zouden worden. In 2005 kwamen vijftien werknemers van een BP-olieraffinaderij in Texas om het leven. Een jaar later leidden versleten leidingen in Alaska tot een massaal verlies aan olie. Allemaal het gevolg van het besparingsbeleid van John Browne, stellen de auteurs. De gebeurtenissen in Alaska en onthullingen over het privéleven van de homoseksuele Browne (waarbij hij een valse verklaring aflegde in een rechtszaak), noopten hem in 2007 tot ontslag. Achteraf bleek ook dat Browne had nagelaten om een betrouwbaar plan op te stellen over de manier waarop het bedrijf moet omgaan met een ramp in de Golf van Mexico. De imagoschade die het bedrijf heeft opgelopen is niet snel te herstellen, voorspellen de auteurs. Wel komen ze tot de vaststelling dat de vervuiling in de Golf van Mexico niet dezelfde impact op de publieke opinie heeft als vroegere olierampen. Denken we maar aan de ramp met de Exxon Valdez-tanker twintig jaar geleden. De verontwaardiging over de milieuvervuiling was enorm groot. Nu is dat afgrijzen eigenlijk snel weggeëbd. Want offshoreboringen blijven van levensbelang voor de Amerikaanse economie. Stanley Reed en Alison Fitzgerald, In Too Deep: BP and the Drilling Race That Took It Down, Wiley, 2011, 226 blz, 25 euroALAIN MOUTON