HIGHTECH EN CALVIJN

Ze zijn broers, ze tellen samen negentien kinderen en als lid van een streng-calvinistische orde in de Nederlandse Gereformeerde Kerk prediken ze nederigheid en aandacht voor het gezin als hun kostbaarste waarden. Jan (52 j.) en J.G. Paul Baan (47 j.) zijn echter geen pilaarbijters. Hoewel de zondagsrust voor hen heilig is en ze hun eerste medewerkers met jobadvertenties in het lokale parochieblaadje ronselden, stootte Baan Company door tot de top van de internationale softwaremarkt en is het vandaag een geduchte tegenspeler van firma’s zoals een SAP, Oracle en PeopleSoft.

Het was in 1978 dat Jan Baan de basis legde voor dit succesverhaal. Als oudste zoon uit een gezin van negen, ging hij – de schoolbanken beu – op 16-jarige leeftijd al klussen bij een vleeswarenfabriek. Zijn karig loon: 82 gulden per maand (1500 frank). Door diverse jobs in een aantal bedrijven leerde hij de knepen van het financieel beheer kennen, en hij besloot voor eigen rekening te gaan. Een kort bij kas zittende klant betaalde hem met een computer en zo liet hij zijn eerste softwarepakket programmeren. Hij riep begin jaren ’80 de hulp in van zijn jongere broer en besliste de software te baseren op het computeronafhankelijke besturingsplatform Unix. Daardoor groeide Baan Company uit tot een heuse softwarefabrikant.

In 1987 was het bedrijf nog een overwegend lokale marktspeler. Maar met de intrede in 1993 van het investeringsfonds General Atlantic Partners en de latere beursintroductie op de Nasdaq en de Amsterdamse beurs, ging de internationale groeicurve steil de hoogte in. De omzet vertienvoudigde tot 679,6 miljoen dollar of zo’n 24 miljard frank (cijfers boekjaar ’97). Vandaag is Baan Company dé vaste hofleverancier voor strategische bedrijfssoftware – in het vakjargon: ERP of enterprise resource planning – van gereputeerde klanten als Mercedes Benz, Boeing, Asea Brown Boveri, Lockheed Martin en Northern Telecom.

Toch kleeft er sinds enige maanden een smet op dit blazoen. Amerikaanse beleggers verwijten de groep intransparantie. Zo is er rond de beursgenoteerde entiteit Baan Company nv een web van particuliere bedrijfjes actief die in handen zijn van de gebroeders Baan en die grote hoeveelheden software bij het basisbedrijf aankopen. Die verkopen werden (tot voor kort) door Baan Company geboekt als omzet, hoewel de software dikwijls niet de eindgebruiker had bereikt.

Zo rapporteerde de softwaregroep in het boekjaar 1997 een omzet van 32,2 miljoen dollar (zo’n 1,2 miljard frank), uitsluitend afkomstig van een vijftiental firma’s die allemaal eigendom waren van de BBS Holding bv. Die holding werd op haar beurt gecontroleerd door Baan Investment bv, het centrale investeringsplatform van Jan en Paul Baan waarmee beide broers een blokkeringsminderheid van 39% aanhouden in Baan Company zelf.

Een aantal van die satellietbedrijfjes nam ook dure onderhouds- en ondersteuningsdiensten van Baan Company over. Op zich is daar niets op tegen. Dergelijke (“off balance”)-technieken worden ook toegepast door bedrijven als Lernout & Hauspie – dat bijvoorbeeld zijn onderzoeks- en ontwikkelingskosten voor dicteersoftware bundelde in Dictation Consortium, een vennootschap die gefinancierd werd door externe investeerders en het Ieperse fonds Flanders Language Valley. Het Amerikaanse beurspubliek verfoeit echter de (mogelijk) onduidelijke transacties die hieruit kunnen voortvloeien.

En bij Baan Company ging dat erg ver. In zoverre zelfs dat een aantal investeerders zich begon af te vragen hoe gezond de Nederlandse softwaregroep eigenlijk wel was. Sommigen deden hun rekenwerk en schatten dat de deals met Baan Investment bv en zijn satellietbedrijfjes goed waren voor minstens 30% en mogelijk zelfs de helft van de nettowinst vorig jaar. Een aantal institutionele investeerders, zoals het Amerikaanse pensioenfonds Putnam Investments dat begin 1997 nog 9,4% in Baan bezat (en trouwens ook aandeelhouder is in L&H), trok hieruit zijn conclusies en verkocht alle aandelen.

In een poging de aanzwellende kritiek over hun interne keuken in te dammen, kondigden de gebroeders Baan maatregelen aan. Begin juli veranderden ze de naam van het particuliere investeringsplatform Baan Investment in Vanenburg Ventures bv – om (aldus het persbericht) “de onafhankelijkheid van zijn activiteiten tegenover die van Baan Company te verduidelijken”. Een weinig geloofwaardige zet, want zelfs in de eigen documenten aan de beursautoriteit SEC gaf de softwaregroep toe dat Baan Investment een investeringsplatform is voor de ERP-softwaremarkt en dit zowel in nieuwe technologieën, onderzoek en ontwikkeling, verkoop, consulting en verdere ondersteuning.

Ook het feit dat Oikonomos, een liefdadigheidsstichting die is opgericht door Jan en Paul Baan, 100% van de aandelen in het investeringsplatform bezit en dat die stichting – naast een aantal projecten in de derde wereld – het Silicon Polder Fund voor jonge startende IT-bedrijven financiert, was niet van die aard om de verwarring op Wall Street te verminderen.

Uiteindelijk werd de Baan-top verplicht een radicalere stap te zetten. Op 28 juli werd bekendgemaakt dat Jan Baan, de stichter van de softwaregroep, ontslag zou nemen uit het management van het bedrijf. En zijn broer Paul zou zich terugtrekken uit de raad van bestuur en zich voortaan exclusief bezig houden met Vanenburg Ventures zelf.

Dat het calvinistische broederduo van goeie wil is, daaraan wordt niet getwijfeld. Alleen al uit de overdracht van het economische recht op hun aandelen naar de Oikonomos Foundation in november 1994 blijkt dat ze zich niet vastklampen aan de financiële macht over hun bedrijf. Ook staat de mercantiele ijver van beide entrepreneurs niet in vraag. Eerder de manier waarop dit in de dagelijkse praktijk tot uiting kwam, werd door de beurs bekritiseerd.

En dat is opvallend voor een hoogtechnologisch bedrijf dat zijn koers op de Amsterdamse beurs sinds zijn introductie zag vertienvoudigen. “De scherpste critici van Baan bevonden zich op Wall Street,” zo schreef The Wall Street Journal. En de gezaghebbende krant voegde er met waarschuwende vinger aan toe: “Vele Europese investeerders gaven de voorkeur aan een laissez-faire-houding”. Ze bleven het Baan-aandeel mordicus ondersteunen.

De Amerikaanse beurs wil eenduidigheid, zoveel is duidelijk. En het lijkt erop dat de Europese belegger zijn houding hierin zal moeten aanpassen. Jan en Paul Baan lijken intussen wel hun lesje te hebben geleerd. Ook andere softwarebedrijven kunnen uit dit avontuur leren. Of zoals de volkspreuk in Barneveld, het hoofdkwartier van Baan Company, nu wellicht luidt: “één verwittigd hightechbedrijf is er twee waard”.

PIET DEPUYDT

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content