Vorige zondag moesten de Zweedse sociaaldemocraten van Göran Persson in de parlementsverkiezingen de duimen leggen voor de centrumrechtse alliantie van Fredrik Reinfeldt. Op een ogenblik dat heel Europa vol bewondering naar het Zweedse welvaartsmodel staart en de economische groei er boven 3 % uitkomt, moeten de behoeders van de Zweedse welvaartsstaat de duimen leggen. Wat scheelt er in het land van Ericsson en Volvo?
...

Vorige zondag moesten de Zweedse sociaaldemocraten van Göran Persson in de parlementsverkiezingen de duimen leggen voor de centrumrechtse alliantie van Fredrik Reinfeldt. Op een ogenblik dat heel Europa vol bewondering naar het Zweedse welvaartsmodel staart en de economische groei er boven 3 % uitkomt, moeten de behoeders van de Zweedse welvaartsstaat de duimen leggen. Wat scheelt er in het land van Ericsson en Volvo? Heel eenvoudig: een groot deel van de bevolking is de massale werkloosheid meer dan beu. Officieel mag de werkloosheidsgraad rond 6 % hangen, eigenlijk ligt die 10 % hoger. In de statistieken zijn namelijk de bruggepensioneerden, mensen op ziekteverlof en werklozen die een opleiding volgen, niet opgenomen. Dat scheelt natuurlijk een slok op de borrel. Bovendien scheert het ziekteverzuim er hoge toppen. Het aantal arbeidsongeschikten ligt hoog en Zweden telt zelfs 22.000 'bruggepensioneerden' die jonger dan dertig zijn. Een royaal socialezekerheidssysteem dus, dat in Zweden betaalbaar is omdat het land de hoogste belastingdruk ter wereld heeft. Jarenlang hebben de sociaaldemocraten geprobeerd om die status-quo te behouden. Electoraal was dat niet moeilijk, want 30 % van de Zweedse bevolking werkt voor de overheid en 30 % leeft van een uitkering. Wanneer het model in ademnood raakte, werden net op tijd een aantal liberale hervormingen doorgevoerd. Zo werd begin jaren negentig gekozen voor een verlaging van de marginale belastingvoeten, dereguleringen en de invoering van een systeem van schoolcheques. Bovendien werden de pensioenen voor een deel geprivatiseerd. Anno 2006 zit de Zweedse economie weer in ademnood. Het zware overheidsbeslag maakt privé-initiatief zeer onaantrekkelijk. Zweden telt trouwens het laagste aantal zelfstandigen van de Oesolanden en de nodige zuurstof in de vorm van nieuwe banen kan niet worden aangereikt. De ontslagwetgeving is heel streng, uitzendwerk en deeltijdse arbeid worden ontmoedigd. Tegelijk blijft een meerderheid van de bevolking voor zijn dagelijks brood op een of andere manier afhankelijk van de overheid. Een situatie die Persson als een levensverzekering beschouwt. Een vergissing, zo blijkt, want de privésector is niet langer bereid die overheideconomie te voeden. De legitimiteit van de Zweedse welvaartsstaat is de voorbije jaren afgebrokkeld. En het Zweedse model is eigenlijk als een Ikeameubel: als er een paar onderdelen ontbreken of van slechte kwaliteit zijn, stuikt het hele boeltje in elkaar. Kortom, de insider-outsidertheorie werkte niet meer. Zij die een baan hadden (de insiders) doen er alles aan om die te behouden en de arbeidsmarkt af te schermen voor outsiders zoals jonge werklozen. Die waren bereid om voor een lager loon of in een flexibeler werkschema te werken, maar botsen op een strenge arbeidswetgeving. De arbeidsmarkt bleef voor hen afgeschermd en jongerenwerkloosheid piekte tot 26 %. Na verloop van tijd heeft die groep out- siders echter genoeg kritische massa gekregen en dat hebben ze in de stembus laten blijken. Met een verlaging van de belastingdruk, lagere werkloosheidsuitkeringen en een verlaging van de sociale bijdragen voor laaggeschoolden hopen Reinfeldt & co. nu eindelijk de arbeidsmarkt voor die groep open te breken. Alain Mouton