Zowat overal in de wereld duikt in congrescentra en voordrachtzalen het nieuwe toverwoord 'inclusie' op. Het verwijst naar het vermogen om zo veel mogelijk lagen van de samenleving te laten deelnemen aan de economische vooruitgang en het politieke leven, een eigenschap die de westerse industrielanden kwijt dreigen te raken.
...

Zowat overal in de wereld duikt in congrescentra en voordrachtzalen het nieuwe toverwoord 'inclusie' op. Het verwijst naar het vermogen om zo veel mogelijk lagen van de samenleving te laten deelnemen aan de economische vooruitgang en het politieke leven, een eigenschap die de westerse industrielanden kwijt dreigen te raken. De jongste tijd duikt het begrip zelfs op tijdens exclusieve bijeenkomsten zoals het Wereld Economisch Forum in Davos of de jaarvergadering van het Internationaal Monetair Fonds. Maar je hoeft niet per se de Londense conferentie over 'inclusief kapitalisme' bijgewoond hebben om te beseffen dat de industrielanden een probleem hebben. De Amerikaanse economie groeit maar half zo snel als in de jaren negentig, Japan is de zieke man van Azië geworden en Europa zakt weg in een recessie, die intussen ook de exportmachine Duitsland doet stokken en de welvaart van de burgers in gevaar brengt. Overal roepen de politici en de ondernemers om nieuwe groei-initiatieven, maar de arsenalen van de regeringen zijn leeg. De miljarden die na de crisis in de economie zijn gepompt, hebben de schuldenbergen in de meeste industrielanden alleen maar verhoogd. Voor nieuwe bestedingsprogramma's is geen geld meer. Ook de centrale banken vallen zonder munitie. Ze hebben de intresten al naar de nullijn geduwd en voor honderden miljarden aan staatsleningen gekocht. De massa geld die ze in de financiële sector stuwen, komt niet in de economie terecht. Of het nu in Japan, Europa of de Verenigde Staten is, de ondernemingen investeren nauwelijks nog in nieuwe machines of fabrieken. In de plaats daarvan exploderen overal ter wereld de prijzen op de aandelen-, vastgoed- en kredietmarkten. Die gevaarlijke boom wordt gevoed door goedkoop geld, niet door duurzame groei. De experts van de Bank for International Settlements (BIS) gewagen hier en daar alweer van 'zorgwekkende signalen' voor een crash. Op die manier schept het westerse crisisbeleid niet alleen nieuwe risico's, het verscherpt ook de conflicten in de industrielanden zelf. Terwijl de lonen van de werknemers stagneren en de traditionele spaarrekeningen nauwelijks nog iets opbrengen, profiteren vooral de inkomensklassen die in de eerste plaats hun geld voor zich laten werken. Vorig jaar namen de privévermogens wereldwijd met bijna 15 procent toe, bijna dubbel zo snel als in de twaalf voorgaande maanden, zo staat te lezen in het jongste Global Wealth Report van Boston Consulting. De cijfers wijzen op een gevaarlijk defect in de centrale machinekamer van het kapitalisme. Vroeger zorgden banken, fondsen en investeringsmaatschappijen ervoor dat het spaargeld van de burgers omgezet werd in technische vooruitgang, groei en nieuwe arbeidsplaatsen. Vandaag organiseren ze de herverdeling van de maatschappelijke rijkdom van onderen naar boven en dat treft vooral de middenklasse. Heel wat mensen met een gemiddeld inkomen merken al jaren dat hun welvaart afneemt. De Amerikaanse samenleving, zegt Harvard-econoom Larry Katz, lijkt intussen op een vervormd en dus onstabiel huis met bovenop een penthouse dat almaar groter wordt, een overvolle kelderverdieping en leegstand op de verdiepingen. En met een lift die niet meer werkt. Geen wonder dus dat de burgers nog maar weinig uit het systeem kunnen halen. Amper een vijfde van de Duitsers vindt de economische verhoudingen in het land 'rechtvaardig', zo blijkt uit een enquête van het Allensbachinstituut. Bijna 90 procent heeft de indruk dat de kloof tussen arm en rijk 'almaar breder wordt'. Op die manier is de crisis van het kapitalisme ook al uitgegroeid tot een crisis van de democratie. Veel burgers hebben het gevoel dat niet langer de parlementen maar de lobbyisten van de banken regeren. Zij dwingen hun privileges volgens de logica van de zelfmoordterrorist: ofwel worden ze gered, ofwel jagen ze de hele sector de dood in. Dat in die omstandigheden linkse economen als Thomas Piketty opgang maken, is dan ook geen verrassing. Maar ook liberale markteconomen hebben het al over de eenprocentmaatschappij en over plutocratie. De hoofdcommentator van Financial Times, Martin Wolf, noemt de vrijmaking van de financiële markten een "pact met de duivel". Daron Acemoglu wordt tot de invloedrijkste tien economen in de wereld gerekend. Twee jaar geleden werd hij befaamd toen hij samen met zijn collega James Robinson een erg gestoffeerde studie publiceerde over de opkomst van westelijke industriegemeenschappen. De centrale thesis luidt dat die hun succes danken aan de ontwikkeling van maatschappelijke instellingen waarbij zo mogelijk alle burgers betrokken worden: een markteconomie die vooruitgang en ondernemerschap bevordert, een parlementaire democratie die het belangenevenwicht dient. Het probleem is dat zulke instellingen niet vanzelf ontstaan. Ze moeten doorgedreven en verdedigd worden, vooral tegen de lagen van de maatschappij en de belangengroepen die zich met geweld van hun concurrenten afschermen, hun eigen belangen veiligstellen en de politiek willen beïnvloeden. Acemoglu kan duizenden dergelijke gevallen opnoemen. Het Venetië van de 14de eeuw, bijvoorbeeld, toen een kleine patriciërsklasse de zeehandel monopoliseerde; of het Egypte van Hosni Moebarak, wiens officierskameraden economische sleutelfuncties onder elkaar verdeelden, maar als ondernemer compleet de mist ingingen. Louter 'extractieve processen", zegt Acemoglu, die tot een economische en maatschappelijke neergang leiden. De vraag is of de westerse industriegemeenschappen op dit ogenblik zo'n extractieproces doormaken. Acemoglu is er de man niet naar om snel een oordeel te vellen. Hij ziet de tegenstrijdigheden in de maatschappelijke tendensen, bijvoorbeeld in de VS. Enerzijds zijn de Verenigde Staten vandaag inclusiever dan in de jaren zestig omdat ze rassenscheiding afgeschaft hebben. Anderzijds stelt hij een toenemende invloed van machtige belangengroepen vast: de farmaceutische sector, de verzekeringen, maar vooral Wall Street. "Het probleem van het geld in de politiek is in het geval van de financiële sector bijzonder acuut", zegt hij. Amerikaanse politici besteden tot 70 procent van hun tijd aan het opsnorren van geld voor hun verkiezingscampagnes en Wall Street is daarbij een van hun belangrijkste bronnen. Experts hebben berekend dat alleen al Bill en Hillary Clinton zich aan het begin van de jaren negentig in minstens 300 miljoen dollar aan giften van de financiële sector mochten verheugen. De webben tussen Wall Street en Washington worden lang niet alleen met geld gesponnen, toonde Acemoglu onlangs aan in een studie over de vroegere Amerikaanse minister van Financiën Tim Geithner. De beurskoersen van de financiële firma's waarmee die enge contacten onderhield, stegen na zijn benoeming aanzienlijk. "De aandeelhouders interpreteerden het blijkbaar als positief dat hun firma's gehoor hadden bij de minister." Dat heeft niets met omkoperij te maken, zegt Acemoglu duidelijk, maar dergelijke praktijken tonen de gevaarlijke verstrengeling van financiële sector en politiek, zoals die ook in andere regio's van de wereld kan worden vastgesteld. Bijvoorbeeld wanneer kanselier Angela Merkel zich uit consideratie voor de Duitse banken tegen het faillissement van Griekenland verzet of wanneer de Londense City de invoering van de belasting op financiële transacties blokkeert. Wat hem nog het meest zorgen baart, zegt Acemoglu, "is de enorme politieke invloed van de rijkdom in de westerse industriegemeenschappen." Daaraan paal en perk stellen, is volgens hem de belangrijkste opgave, opdat het elitaire en financiële kapitalisme van vandaag opnieuw het kapitalisme van de reële economie en het maatschappelijke middenveld wordt. De economische hervormingen die daarvoor nodig zijn, zijn genoegzaam bekend: een belastingpolitiek die niet alleen de rijken ten goede komt, een monetair beleid dat zich bewust is van zijn grenzen, een hervorming van de financiële en de banksector, die de traditionele spaar- en kredietactiviteiten afzondert van de het riskante investeringsbankieren. Maar dat alles is niet voldoende, meent Acemoglu. Er is ook een politieke alliantie nodig die zich verzet tegen de macht van de financiële sector en zijn lobby. Iets als de antitrustbeweging in de VS aan het begin van vorige eeuw, die als een brede coalitie van de middenklasse na een jarenlange strijd uiteindelijk haar grote zege boekte: de uitschakeling van grote concerns als Standard Oil. Zal er met de grote internationale banken nu iets vergelijkbaars gebeuren? Acemoglu weet het niet, maar van één zaak is hij overtuigd: elitaire conferenties waarin bankiers en financiële politici fijngevoelig over 'inclusie' kletsen, zullen geen ommekeer brengen. Onlangs werd hij door de organisatoren van het Wereld Economisch Forum opnieuw naar Davos uitgenodigd. Acemoglu heeft afgezegd, zoals meermaals tevoren. "De grote problemen in de wereld worden niet opgelost in een gesprek tussen George Soros en Bill Gates. De vernieuwing moet van onderen komen", besluit hij. DER SPIEGEL, ILLUSTRATIE ANTON VAN STEELANDTDe crisis van het kapitalisme is uitgegroeid tot een crisis van de democratie. "De wereldproblemen worden niet opgelost in een gesprek tussen George Soros en Bill Gates. De vernieuwing moet van onderen komen" DARON ECEMOGLU