Wat gebeurt er als je een transactie of een activiteit voor 200 procent belast? Niet moeilijk te raden. En toch is de situatie op onze arbeidsmarkt zo samen te vatten. Eigenlijk is het een mirakel dat onder zulke omstandigheden er nog zoveel mensen gemotiveerd aan de slag zijn, dat er nog zoveel bedrijven zijn die de kostprijs van dit system blijven torsen en nog arbeidsplaatsen blijven creëren. Het mag een wonder heten dat ze nog niet allemaal met de noorderzon vertrokken zijn, in de zuiderse avondzon van hun pensioen genieten of naar het Nabije of Verre Oosten uitgeweken zijn. Maar niet alle bedrijven en alle mensen zijn even mobiel en dus blijven er toch nog een paar wanhopig, overmoedig of mistroostig te lande plakken. En mensen werken uiteraard nog voor wat anders dan geld, maar het telt toch.
...

Wat gebeurt er als je een transactie of een activiteit voor 200 procent belast? Niet moeilijk te raden. En toch is de situatie op onze arbeidsmarkt zo samen te vatten. Eigenlijk is het een mirakel dat onder zulke omstandigheden er nog zoveel mensen gemotiveerd aan de slag zijn, dat er nog zoveel bedrijven zijn die de kostprijs van dit system blijven torsen en nog arbeidsplaatsen blijven creëren. Het mag een wonder heten dat ze nog niet allemaal met de noorderzon vertrokken zijn, in de zuiderse avondzon van hun pensioen genieten of naar het Nabije of Verre Oosten uitgeweken zijn. Maar niet alle bedrijven en alle mensen zijn even mobiel en dus blijven er toch nog een paar wanhopig, overmoedig of mistroostig te lande plakken. En mensen werken uiteraard nog voor wat anders dan geld, maar het telt toch. Over deze torenhoge belasting op arbeid (fiscale en parafiscale druk zoals dat heet) hebben we uitgerekend in Trends dertig jaar geleden als economiestudent onze eerste columns gepleegd, en enige polemiek veroorzaakt. Het was trouwens mijn eerste doctoraatsonderwerp, tot mijn promotor door Ronald Reagan naar Washington werd geroepen. Intussen heeft het mirakel buitenaardse proporties aangenomen en is de situatie dus ook drastisch verslechterd. Een mooie illustratie van het ' boiling frog phenomenon'. De loonwig, het verschil tussen bruto- en nettoloon, bevindt zich tegenwoordig in een orde van 3 tot 1. Iedereen weet dat, niemand mag of wil er iets aan doen. Want dat is hoofdzakelijk federale materie, en dus tot nader 'onaantastbaar' of 'van staatsbelang'. En dus is er geen mens die daar wat aan doet, laat staan een politicus, partij, 'sociale partner', econoom of beleidsmaker die er durft over te kraaien. Waar we wel druk mee doende zijn, is met een waslijst aan secundaire of tertiaire effecten onder de loep te nemen en daar dure en nog meer verstorende maatregelen op te plakken. En zo belanden we in hoogoplopende discussies over de loonnorm en de aanpassing van de indexering; over de regionalisering van het arbeidsmarktbeleid (zonder aan de loonwig te kunnen raken); over de arbeidsmigratie: de duizenden niet-ingevulde vacatures; de zogenaamde knelpuntberoepen; de selectieve (en betwistbare) bevoordeling van bepaalde groepen, beroepen, bedrijven of sectoren, enzovoort. Over het basisprobleem - de dramatische scheeftrekking en de daaruit ontstane mismatch tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt - hoor je geen woord. Zoals zo vaak in het leven wordt over het belangrijkste niet gesproken. Nochtans is erover spreken misschien de enige oplossing. Want één ding staat als een paal boven water. Onze lonen en salarissen zijn veel te laag. Om aan de stijgende welvaartsvraag te voldoen, om als werknemer aan de slag te gaan of te blijven, om goede werknemers, professionals, managers of kenniswerkers te belonen... Onze loon- en salariskosten liggen dan weer veel te hoog. Om die goede werknemers te kunnen belonen, om te kunnen groeien en meer arbeidsplaatsen te creëren; om verhuizing van banen terug te dringen; om de dringende nood aan dienstverlening in de sociale sector te lijf te gaan... Laten we eerst en vooral de al dan niet moedwillige verwarring over 'de lonen' uit de wereld helpen. Voor de bedrijven zijn dat de loonkosten, voor de werknemers wat ze aan het einde van de maand op hun rekening vinden. En zoals gezegd is tussen die beide nog nauwelijks een verband. Toch houden politici, vakbonden, werkgevers en uiteraard ook de pers deze verwarring gretig in stand, en wordt de grond van de zaak meteen verdoezeld. Want het zou ook het strategische debat over de efficiëntie en effectiviteit van de overheidsuitgaven weleens scherp kunnen doen oplaaien. Waarom slaan de betrokken organisaties de handen niet in elkaar, als ze zich 'sociaal' en als 'partners' willen gedragen, om het echte probleem bij de overheid aan te kaarten? Bijten ze zich liever vast in de broze machtsposities die ze door het vertoon aan hun achterban in ere proberen te houden? En de overheid - die zelf voor het gevecht op de arbeidsmarkt verantwoordelijk is - staat erbij en kijkt ernaar. Het vergt natuurlijk meer dan vijf minuten politieke moed van een ontslagnemende regering. Zelfs als we snel zijn, zullen we eerder vijftien jaar nodig hebben om deze scheeftrekking uit de wereld te helpen. Onze volgende column hierover plannen we dus binnen nog eens dertig jaar. Als de kikker tegen dan al niet doodgekookt is. DE AUTEUR IS HOUDER VAN DE LEERSTOEL STRATEGIE EN ORGANISATIE AAN DE SOLVAY BUSINES SCHOOL EN HOOGLERAAR STRATEGIE AAN DE UNIVERSITEIT VAN TILBURG EN DE KU LEUVEN.PAUL VERDINOnze lonen en salarissen zijn veel te laag.