De auteur is hoofdeconoom bij vermogensbeheerder Petercam.
...

De auteur is hoofdeconoom bij vermogensbeheerder Petercam. Reacties: visienoels@trends.be (1) James P. Womack, Daniel T. Jones en Daniel Roos, 'The machine that changed the world', 1990. e meesten komen uit China terug zoals kinderen na hun eerste bezoek aan : het is allemaal te groot en te spectaculair om in woorden te vatten. Er is trouwens nóg een overeenkomst tussen China en Eurodisney: beide zijn voor het oog indrukwekkend, maar zijn als belegging tot nu toe ontgoochelend geweest. China wordt terecht gezien als een nieuwe economische supermacht - het land is trouwens flink op weg om Japan in te halen. Het is ook niet moeilijk om overeenkomsten te vinden tussen deze twee Aziatische landen: beide zijn bijvoorbeeld gegroeid vanuit een productie- en exporteconomie. En toch is hun verhaal verschillend: China zuigt vooral knowhow op, maar speelt niet alles volgens de regels, terwijl Japan net de rest van de wereld vernieuwende technieken aanleerde om de productie beter en efficiënter te laten verlopen. De ontwikkeling van Japan was met andere woorden een tweerichtingsverhaal, terwijl China, behalve zijn eindeloze (?) voorraad goedkope arbeid, de wereld nog niet veel heeft geboden. De steile opkomst van Japan. Japan was in de jaren tachtig de schrik van de westerse economieën, net zoals China dat vandaag is. Door de instorting van de Japanse beurs en de stagnerende economie sindsdien wordt wel eens de indruk gewekt dat Japan één grote bubbel was. Financieel was dit inderdaad het geval, maar vanuit economisch oogpunt is het onrechtvaardig om de toenmalige vrees voor de overheersing van het Japanse economische model af te doen als een irrationele overdrijving. De Japanse productiemethode was wel degelijk revolutionair, en lanceerde vernieuwende concepten zoals just in time (JIT), total quality management (TQM) en continue verbeteringstechnieken (Kaizen). Dankzij die technieken werd de Japanse automobielsector de performantste in de wereld. Japan werd wel eens verweten Amerikaanse en Europese producten te 'verbeteren tijdens het kopiëren'. Maar uiteindelijk deden de VS en Europa net hetzelfde met de Japanse productietechnieken. Het Amerikaanse Massachusetts Institute of Technology bestudeerde vijf jaar lang het Japanse systeem van lean production(1) en even later 'kopieerden en verbeterden' vooral Europese bedrijven de Japanse productieprocédés. Via allerlei transplants (lokale vestigingen van Japanse bedrijven) exporteerden de Japanners hun knowhow trouwens zelf. Bubbel én economisch mirakel. De grafiek illustreert mooi dat het Japan van de jaren tachtig zowel een financiële bubbel als een economisch mirakel was. Het eerste blijkt uit de fenomenale stijging en vervolgens de even spectaculaire krach van de Japanse beurs (Nikkei). Tegelijk heeft de exponent van de lean production - de Japanse automobielproducent Toyota - met zijn prestaties in de moeilijke depressieperiode na 1990 bewezen dat er ook een economisch mirakel was. Opmerkelijk is trouwens het verschil met de glorious nineties in de VS: Wall Street kende weliswaar een stijging die vergelijkbaar was met de Japanse boom tien jaar eerder. Maar de neergang van General Motors (nog steeds op het niveau van 1973!) is maar één illustratie van het feit dat het Amerikaanse mirakel niets met productie te maken had. Bovendien: hoewel de Amerikaanse autogigant miljarden investeerde in technologie (denk maar aan de zogenaamde fuel cells), is hij er niet in geslaagd om die succesvol te commercialiseren, terwijl Toyota nu al een gigantisch wereldwijd succes realiseert met zijn hybride Prius. GM is vandaag meer een bank dan een vernieuwende autofabrikant. Chinese knowhow en technologie. China en Japan hebben hun economische opkomst gebouwd op productie en export. Hét grote verschil is dat de Chinese productie vandaag op westerse knowhow is gebaseerd. De eigen inbreng van China bleef beperkt tot het leveren van een eindeloze stroom goedkope arbeidskrachten en het invoeren van het primaat van het kapitalisme, maar wel nog steeds centraal geleid. Vooral de VS heeft niet alleen de typische activiteiten met een lage toegevoegde waarde naar China verplaatst, maar uit winstbejag en een kortetermijnvisie ook meer en meer zijn hoogtechnologische sectoren naar daar verhuisd. Weliswaar werd vooral de productie gedelokaliseerd, maar hierdoor belandden heel wat knowhow en potentieel voor toekomstige vernieuwingen in de handen van de Chinezen. De resultaten van die economische strategie bleken uit een Harvard-studie van 11 november 2004. Die toont aan dat in 1980 de VS goed was voor 33 % van de wereldexport in hightech en 13 % van de import; in 2001 was dat nog 17 % van de export maar vooral... 18 % van de import. De VS heeft dus zelfs een handelstekort in hightech! Hun belangrijkste exportproduct vandaag is... schuldpapier. Geert Noels