Iedereen, maar ook alles, is een kind van zijn tijd. Ook wetten onttrekken zich daar niet aan. Het zijn maatschappelijke best practices. Wetten corrigeren ongewenste gevolgen, verwerpelijke mores of immorele consequenties in de maatschappij. Aan de conceptie van een wet ligt een meestal acute en minstens actuele maatschappelijk relevante problematiek ten grondslag. Die problematiek is vaak over een heel lange tijd relevant. Maar in sommige gevallen is die temporeel beperkter van aard.
...

Iedereen, maar ook alles, is een kind van zijn tijd. Ook wetten onttrekken zich daar niet aan. Het zijn maatschappelijke best practices. Wetten corrigeren ongewenste gevolgen, verwerpelijke mores of immorele consequenties in de maatschappij. Aan de conceptie van een wet ligt een meestal acute en minstens actuele maatschappelijk relevante problematiek ten grondslag. Die problematiek is vaak over een heel lange tijd relevant. Maar in sommige gevallen is die temporeel beperkter van aard. En ook, iedereen is lui. Zelfs de wetgever. Wetten creëren is niet alleen leuker dan ze opkuisen. Bovendien valt er met de creatie van wetten meer zichtbaarheid en electorale eer te behalen voor politici. Bijgevolg moeten praktijkjuristen hun weg zoeken in een kerkhof van verouderde wetten. Veel van die wetten hebben hun relevantie verloren. De meeste wetten zijn dan ook gedoemd om tot legistiek sterrenstof te verworden. Maar daarnaast is het een wetmatigheid dat de geschiedenis zich herhaalt. Soms doet de zweepslag van de geschiedenis meer pijn dan anders. Vandaag voelen we dat. Het spook van de inflatie doemt op. Prijzen stijgen en onze algemene welvaartsbestendigheid wordt zo het voorwerp van een stresstest. "Het zijn zotte prijzen" is goed op weg het gezegde van 2022 te worden. En in zo'n markt loert prijsopportunisme en -misbruik om de hoek. Politici die willen scoren met een wettelijk initiatief hoeven zelfs niet uit de startblokken te schieten. Ze worden afgepoeierd door hun collega's uit 1945 en 1971. Laat die twee jaren toevallig ook twee doomsdays van de prijzendraak - een metafoor voor de sterke prijsstijgingen en inflatie - zijn. In januari 1945, onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog, werd al een wet op de beteugeling van excessieve prijzen goedgekeurd. In de zomer van 1971, in het aanschijn van het doembeeld van de extreme inflatie en later zelfs stagflatie, werd de wet herbevestigd. De wet is er zeker niet naast. Indien er geen wettelijke maximumprijs bij wet bepaald is, is het verboden tegen prijzen te verkopen hoger dan de normale prijzen. Het zijn de hoven en rechtbanken die oppermachtig oordelen over het abnormale karakter van prijzen. Zij moeten rekening houden met de verwezenlijkte winst, de staat van de markt en de kosten van de exploitatie van de handels- of nijverheidsonderneming, zoals de opbrengst, de fabricage-, verwerkings- en vervoerskosten. De algemene prijzenwet werd goedgekeurd in 1945. De achterliggende reden is duidelijk. In de naoorlogse periode wenste de wetgever - om misbruiken te voorkomen en de wederopbouw niet in de weg te staan - te allen prijze de zogenoemde woekerhandel te vermijden. De wet verstrekte in het verleden een middel om, indien 's lands economie ontredderd dreigde te worden, dringende maatregelen te kunnen treffen in het algemene belang. Nu de inflatoire economie na jarenlange stabiliteit als een feniks uit haar as herrijst, is het een zekerheid dat het tegengif van de aloude prijzenwet van onder het stof zal worden gehaald. Veel minder zeker is tot welke conclusie de rechterlijke macht zal komen driekwart eeuw nadat de wet het levenslicht heeft gezien. De wet mag dan wel dezelfde zijn, de mores zijn vandaag verschillend. De rechtspraak zal uitmaken of dat tot andersoortige uitspraken leidt.