In de periode 1944-1945 was de Duitse nederlaag onafwendbaar. Toch werden nog veel jongeren lid van de nazipartij NSDAP. Na de oorlog werd dat lidmaatschap een stigma. Wanneer er ruchtbaarheid aan werd gegeven, kon dit zowel professioneel als privé een stevige domper op de pret worden. Zeker voor een generatie die na de oorlog vrij snel de maatschappelijke ladder van zowel de Bondsrepubliek als de DDR beklom. Het verhaal van die generatie is in De laatste lichting te boek gesteld.
...

In de periode 1944-1945 was de Duitse nederlaag onafwendbaar. Toch werden nog veel jongeren lid van de nazipartij NSDAP. Na de oorlog werd dat lidmaatschap een stigma. Wanneer er ruchtbaarheid aan werd gegeven, kon dit zowel professioneel als privé een stevige domper op de pret worden. Zeker voor een generatie die na de oorlog vrij snel de maatschappelijke ladder van zowel de Bondsrepubliek als de DDR beklom. Het verhaal van die generatie is in De laatste lichting te boek gesteld. Over het lidmaatschap van de NSDAP bestaan heel wat misverstanden. Het was de bedoeling dat de beweging elitair bleef. Daarom kon maximaal 15 procent van de Duitse bevolking lid worden. Op sommige momenten, zoals in 1933, was men genoodzaakt een ledenstop in te voeren. Enkel wie er zelf om vroeg -- een eigenhandig ingevuld en ondertekend document moest worden neergelegd -- én geselecteerd werd, kreeg de begeerde lidkaart in handen. Het was dus een welbewuste keuze. Net daarom klinken de argumenten van menig oud-lid in de decennia na de oorlog ongeloofwaardig. Velen beweerden dat ze zich niets meer konden herinneren. Feit is dat elke Duitse politieke partij -- zowel CDU, SPD als FDP, oud-nazi's onder haar leden telde. Vaak wist men dat, maar werd er met geen woord over gerept. Waar het kon, werd bewijsmateriaal weggemoffeld. Op verzoek van de Duitse regering deden de Amerikanen, die het betrokken archief beheerden, sommige kaarten verdwijnen. Hans-Dietrich Genscher, minister van zowel Binnenlandse als Buitenlandse Zaken, was zo'n prominente politicus die ooit een lidkaart op zak had. Of Walter Scheel, onder Willy Brandt minister van Buitenlandse Zaken en later Bondspresident. Ook schrijvers als Siegfried Lens of Martin Walser (in het boek wordt een hoofdstuk aan hen besteed; net als aan Günter Grass) bevonden zich in dezelfde situatie. Elke Duitse regering, van die van Adenauer tot die van Kohl, had oud-nazileden om de regeringstafel zitten. Dat zo veel mogelijk een omerta in stand werd gehouden, had zo zijn redenen. Te veel revelaties over het lidmaatschap zou de cohesie in de samenleving niet ten goede komen, vreesde men. Bovendien zou het extra koren op de DDR-propagandamolen zijn. Ironisch genoeg kon in het zelfgeproclameerde antifascistische bolwerkOost-Duitsland, een gelijkaardige vaststelling worden gedaan. Ook daar kon men heel wat oud-leden op hoge posities aantreffen, verborgen door een zo mogelijk nog groter stilzwijgen. Het beheer van de ledenlijsten van de NSDAP was jarenlang in Amerikaanse handen. Naarmate de Bondsrepubliek gestalte kreeg als democratische modelstaat, groeide in de jaren zestig de wil om die lijsten weer over te brengen naar het Bundesarchiv. De Duitsers deden er alles aan om die overdracht uit te stellen. En niet zonder succes, zo blijkt, want uiteindelijk zou dat pas gebeuren in 1994, na de val van de Berlijnse Muur. Malte Herwig, De laatste lichting. Hoe Hitlers jongste partijgenoten uitgroeiden tot de elite van het moderne Duitsland, Uitgeverij Balans, Amsterdam, 2015, 303 blz., 25 euroMICHAËL VANDAMME