Arbeidsduurverkorting bezwaart de tewerkstelling. Hardleers België probeert het echter steeds opnieuw. En dat terwijl de vergrijzing van onze samenleving alleen met méér werk financierbaar blijft.
...

Arbeidsduurverkorting bezwaart de tewerkstelling. Hardleers België probeert het echter steeds opnieuw. En dat terwijl de vergrijzing van onze samenleving alleen met méér werk financierbaar blijft. "Inzake de tewerkstelling in het openbaar ambt hebben de verschillende overheden er zich samen met de vertegenwoordigers van het gemeenschappelijk vakbondsfront toe verbonden, met het oog op werkgelegenheid, te onderhandelen over maatregelen tot herverdeling van de arbeid en vermindering van de arbeidstijd. (...) Om de economische activiteit een meer arbeidsintensief karakter te geven, zijn regering en sociale gesprekspartners het erover eens dat het aangewezen is op alle onderhandelingsniveaus tewerkstellingsakkoorden af te sluiten, gebaseerd op (her-)verdeling van de arbeid én een soepelere organisatie van de arbeidsmarkt," zo luidden twee typische zinnen uit het Toekomstcontract voor Werkgelegenheid. Het staat nu wel vast dat dit contract niet ondertekend zal worden, maar de wet die de regering-Dehaene II klaarstoomt, zal zeer dicht bij de tekst van dat Toekomstcontract aanleunen. Bovenstaande zinsneden illustreren, samen met de voorziene maatregel om in de sectoren waar nog 40 uren gewerkt wordt tegen 1997-'98 op 39 uren over te schakelen, dat het geloof in arbeidsduurvermindering als oplossing voor onze nijpende tewerkstellingsproblematiek (zie ook kader : A zeggen, B doen) nog steeds diepgeworteld zit. Dit geloof is nochtans een illusie. Op het niveau van de individuele ondernemingen bestaan er in bepaalde gevallen zeker mogelijkheden om via het sleutelen aan arbeidstijden tot bijkomende jobs te komen (zie ook Trends van 14 maart jl., blz. 26), maar het aantal van die nieuwe jobs zal nooit het werkloosheidsprobleem zelfs maar bij benadering kunnen oplossen. Laat er geen verwarring bestaan tussen enerzijds een vermindering van de werktijd als gevolg van reële productiviteitsstijgingen en anderzijds het opleggen en/of stimuleren van arbeidsduurvermindering als oplossing voor de werkloosheid. Wij hebben het hier louter over het laatste. Tevens geldt als uitgangspunt dat niemand nog ernstig kan spreken over een arbeidsduurverkorting zonder minstens evenredige loonkostenvermindering. Ook gaan we gemakshalve voorbij aan het zeer te verwachten fenomeen dat velen zullen trachten het verloren inkomen toch op peil te houden via overuren, liefst in het zwart betaald.OP DE BON.Arbeidsduurvermindering is immers de bestrijding van het symptoom en niet van de ware oorzaak. Die oorzaak heeft te maken met het feit dat ons systeem te weinig nieuwe jobs voortbrengt. In plaats van daar wat aan te doen (en dan gaat het vooral over de loonkosten en de soepelere organisatie van de arbeidsmarkt), opteert men in België voor de typische oplossing van het vroegere Oostblok : jobs worden via arbeidsduurvermindering op de bon geplaatst. Onze samenleving lijkt meer en meer de schaarste aan arbeidsplaatsen als een onwrikbaar gegeven te beschouwen en dat is volkomen fout, zoals o.a. het Amerikaanse voorbeeld aantoont.Dat arbeidsduurvermindering het werkloosheidsprobleem niet oplost, komt duidelijk naar voor in grafiek 1 ( Minder Werken, Meer Werklozen). Een land als Spanje heeft de voorbije twintig jaar de arbeidstijd gevoelig verminderd terwijl het de werkloosheid bijna even sterk zag oplopen. In de VS daarentegen verminderde de gemiddelde arbeidsduur nauwelijks, zonder dat er een noemenswaardige oploop van de werkloosheid optrad. Internationaal gezien, kan er geen enkel voorbeeld aangehaald worden van arbeidsduurverkorting die leidde tot betere tewerkstellingsperspectieven. België zelf ervoer in een niet zo ver verleden reeds dat arbeidsduurvermindering niet dé oplossing is. In 1983 bedacht de regering- Martens-Gol het fameuze5-3-3-systeem : 5 % arbeidsduurverkorting zou, gekoppeld aan 3 % loondaling, tot een toename van de tewerkstelling met 3 % moeten leiden. Het draaide helemaal anders uit : tussen 1983 en 1987 gingen 30.000 arbeidsplaatsen verloren. Frankrijk voerde in 1982 een werktijdverkorting van 4,5 % door in de hoop dat dit 150.000 nieuwe arbeidsplaatsen zou opleveren. Enkele jaren nadien reeds becijferde de Oeso dat die ingreep in de arbeidstijd veeleer jobs vernietigd had dan wel nieuwe geschapen. AANSLAG OP PRODUCTIVITEIT.De voornaamste reden waarom arbeidsduurverkorting onmogelijk het werkloosheidsprobleem kan oplossen, komt onmiddellijk naarvoor als men de structuur van onze werkloosheid bekijkt. Van alle industrielanden heeft België de hoogste verhouding van het aantal laaggeschoolde werklozen tegenover hooggeschoolde werklozen (zie grafiek 2 : Het Probleem van de Onderkant). Mensen met enkel maar lager onderwijs als opleiding, maken bijna 45 % van ons werklozenleger uit, terwijl diezelfde categorie slechts 15 % van de werkende bevolking vormt. (We rekenen hier enkel met de werklozen die in de statistieken geboekstaafd staan als uitkeringsgerechtigde volledig werklozen, d.i. ongeveer de helft van het reëel aantal werklozen.) Wanneer men dus sterk op arbeidsduurverkorting gaat rekenen om de werkloosheid te bestrijden, zal zich reeds zeer snel in ieder geval lang vóór er sprake kan zijn van een echt significante daling van de werkloosheid een situatie voordoen waarbij de jobs die vrijkomen via arbeidsduurvermindering gewoon niet opgevuld kunnen worden. De werkzoekenden beschikken over te weinig kwalificaties om daarvoor in aanmerking te komen. Veronderstellen we nu even dat men de bedrijven zou verplichten om die niet-gekwalificeerde mensen toch op te nemen. Het onmiddellijke resultaat zou een daling van de productiviteit zijn, wat de bedrijven er meteen ook zou toe aanzetten om opnieuw te gaan rationaliseren (lees : arbeid terug uit te stoten). Voor de hooggeschoolden doet zich een totaal omgekeerde situatie voor bij een arbeidsduurverkorting. Zij maken bijna 10 % van de werklozen uit terwijl 25 % van de werkende bevolking in hun categorie valt. Zeker bij een lineair opgelegde arbeidsduurverkorting maar ook bij zachtere vormen ervan (b.v. subsidiëring) gaat men dus die schaarse productiefactor hooggeschoolde arbeid minder benutten. Het is nochtans een gegeven dat net deze categorie de kar van het economisch gebeuren trekt in termen van productontwikkeling, nieuwe commerciële initiatieven, efficiëntiebewaking e.d. Langs syndicale kant houdt men absoluut niet van dit type van gegevens, maar helaas worden ze er daarom niet minder reëel op. Paul De Grauwe, hoogleraar aan de KU-Leuven en senator voor de VLD schetste ooit de volgende treffende vergelijking : "Het beleid van werktijdverkorting (gedwongen of gesubsidieerd) vertoont grote gelijkenis met het Europese landbouwbeleid. Door te hoge landbouwprijzen zijn grote overschotten gecreëerd. De Europese overheid heeft hierop gereageerd door boeren premies te geven om grond braak te laten liggen. Gesubsidieerde werktijdverkorting is eenzelfde reactie op het feit dat de loonkosten te hoog zijn en grote werkloosheid veroorzaken. Het verschil tussen de landbouw en de arbeidsmarkten is echter dat de boeren hun slechtste grond braak laten liggen. De werktijdverkorting daarentegen zorgt ervoor dat de beste (hooggeschoolde) arbeid braak blijft liggen." Johan Van OvertveldtArbeidsduurvermindering lost het werkloosheidsprobleem niet op. Een land als Spanje heeft de voorbije twintig jaar de arbeidstijd gevoelig verminderd terwijl het de werkloosheid bijna even sterk zag oplopen. In de VS daarentegen verminderde de gemiddeldeDe structuur van de Belgische werklozenpopulatie (enorm aandeel laaggeschoolden) toont aan waarom arbeidsduurverkorting geen oplossing kan zijn : de werkzoekenden beschikken over te weinig kwalificaties voor de vrijkomende jobs.