Op 27 februari gaat met de Omloop het Nieuwsblad het Belgische wielerseizoen van start. Opnieuw zullen duizenden toeschouwers de renners langs de weg aanmoedigen. Wielrennen blijft samen met voetbal de populairste Vlaamse sport. Maar sporteconomen waarschuwen al een tijd: de financiële basis van de wielersport is wankel.
...

Op 27 februari gaat met de Omloop het Nieuwsblad het Belgische wielerseizoen van start. Opnieuw zullen duizenden toeschouwers de renners langs de weg aanmoedigen. Wielrennen blijft samen met voetbal de populairste Vlaamse sport. Maar sporteconomen waarschuwen al een tijd: de financiële basis van de wielersport is wankel. En dat bedreigt op lange termijn de leefbaarheid van de sport. Een aantal economen hebben de financiering van het wielrennen onder de loep genomen en maken een scherpe analyse in The Economics of Professional Road Cycling. Verschillende bijdragen zijn geschreven door de Vlaamse expert Daam Van Reeth en Wim Lagae. Ze vergelijken het zakenmodel van het wielrennen met andere sporten. Het verschil met disciplines als voetbal en basketbal is groot. Het wielrennen beschikt om te beginnen over aanzienlijk minder financiële middelen. In 2012 bedroeg het totale budget van alle wielerploegen 321 miljoen euro of zo'n 8 miljoen euro per ploeg. Dat is slechts 60 procent van het kapitaal van 509 miljoen euro, waarover FC Barcelona beschikte in het seizoen 2013-2014. De best betaalde 75 spelers van de Amerikaanse NBA-basketbalcompetitie zouden met hun jaarloon elk een wielerploeg kunnen financieren. Wielerploegen zijn kleine bedrijfjes die van de wielerunie UCI geen winst mogen maken. Daarnaast hebben wielerploegen geen eigen stadion. Hun sport speelt zich af op de openbare weg, waardoor ze geen inkomsten uit ticketing halen. Ook de inkomsten van de tv-rechten gaan aan hen voorbij, want die worden betaald aan de organisatoren van wedstrijden. Meer dan 90 procent van de middelen van de wielerploegen komt uit sponsoring. Daam Van Reeth berekende de evolutie van de budgetten van de wielerploegen en stelt vast dat die de voorbije jaren zijn blijven stijgen. Maar dat is vooral het gevolg van mecenassen als Oleg Tinkov of Zdenek Bakala. Als zij zich terugtrekken, heeft het wielrennen een gigantisch probleem. Hun inbreng heeft de lonen van de wielrenners doen toenemen, al zijn de salarissen van toprenners als de wereldkampioen Peter Sagan en de jongste Tourwinnaar Chris Froome (tussen 3,3 en 4,2 miljoen euro) nog altijd veel lager dan die van een topvoetballer. De sporteconomen berekenden dat een andere financiering, bijvoorbeeld uit tv-rechten, geen wonderoplossing is. Het zou elke ploeg tussen 1 en 2 miljoen euro extra opleveren. De tv-rechten in het wielrennen zijn een miljoenenbusiness. In het voetbal spreekt men over miljarden. Volgens Van Reeth en Lagae zijn er naast de beperkte financiële middelen ook andere bedreigingen: de nog altijd sterke connotatie met doping en het verouderende supporterspubliek. Toch kan het wielrennen zich financieel heruitvinden en aantrekkelijker worden. De sporteconomen lanceren een aantal voorstellen zoals het invoeren van ticketing op bepaalde cruciale plaatsen op het parcours. Ze pleiten ook voor innovaties die de tv-uitzendingen aantrekkelijker moeten maken, zoals camera's op de fiets en de volgwagens. Daar is al mee geëxperimenteerd. Daam Van Reeth & Daniel Joseph Larson, The Economics of Professional Road Cycling, Springer, 2016, 352 blz., 168 euro ALAIN MOUTON