Het Europese continent heeft een probleem met de creatie van groeibedrijven. Zo was in 2010 amper 2,3 procent van de volwassen Italianen, 3,3 procent van de Belgen, 4,2 procent van de Duitsers en 5,8 procent van de Fransen een zogenaamde 'early stage'-ondernemer. Daarmee blijven Europese landen ver - soms zeer ver - achter bij landen als Amerika (7,6 %), China (14 %) en Brazilië (17 %). De cijfers komen uit de Global Entrepreneurship Monitor, die vergelijkbare data van landen verzamelt.
...

Het Europese continent heeft een probleem met de creatie van groeibedrijven. Zo was in 2010 amper 2,3 procent van de volwassen Italianen, 3,3 procent van de Belgen, 4,2 procent van de Duitsers en 5,8 procent van de Fransen een zogenaamde 'early stage'-ondernemer. Daarmee blijven Europese landen ver - soms zeer ver - achter bij landen als Amerika (7,6 %), China (14 %) en Brazilië (17 %). De cijfers komen uit de Global Entrepreneurship Monitor, die vergelijkbare data van landen verzamelt. Bovendien zien de schaarse Europese starters hun toekomst somber in. Een studie van de accountantsfirma Ernst & Young wees vorig jaar uit dat Duitse, Italiaanse en Franse ondernemers veel minder vertrouwen hebben in hun land als een goede plek voor start-ups, dan hun collega's in de VS, Canada of Brazilië. Aan beginnende buurtwinkels, kapperszaken en dies meer heeft Europa geen gebrek. Het continent brengt vooral onvoldoende innovatieve ondernemingen voort, die snel groot worden. Een Europese studie uit de jaren negentig classificeerde 19 procent van de Amerikaanse middelgrote ondernemingen als snelle groeier, terwijl het gemiddelde in zes EU-landen amper 4 procent bedroeg. Europa is niet altijd een achterblijver geweest. Toen de Britse industriële revolutie zich na 1848 uitbreidde over het continent, kon een jongeman met ambitie en toegang tot kapitaal het ver brengen. August Thyssen legde de basis voor de Duitse staalgroep ThyssenKrupp, Eugène Schueller stichtte het Franse schoonheidsimperium L'Oréal en A.P. Møller zette de koers uit voor de Deense rederijkolos A.P. Møller-Maersk Group. Het overgrote deel van de grote Europese ondernemingen ontstond rond het begin van vorige eeuw. Na de beide wereldoorlogen kon Europa die creativiteit nooit herwinnen. De verwoestingen maakten de Europeanen afkerig van risico's. Markten die voor 1914 nauw met elkaar verbonden waren, vielen uiteen. Dat beknotte het vermogen van nieuwe bedrijven om uit te groeien tot reuzen, vooral dan in de decennia voor het ontstaan van de eenheidsmarkt van de Europese Unie. Uit een analyse van de grootste 500 beursgenoteerde bedrijven door de denktank Bruegel blijkt dat Europa tussen 1950 en 2007 amper twaalf nieuwe grootbedrijven voortbracht. In de VS waren het er in dezelfde periode 52 ( zie grafiek). De grote privéondernemingen in Europa dateren bovendien van ver, vaak zelfs van heel ver voor 1950. Was Europa meer ondernemingsgezind, dan had het meer succesvolle nieuwe technologiefirma's voortgebracht, stellen velen, de Europese Commissie op kop. Niet dat ondernemerschap per se via het internet gekanaliseerd moet worden, maar dat is wel wat in de voorbije paar decennia grotendeels gebeurd is. Dat een economie met zo veel technisch opgeleide arbeidskrachten als Duitsland geen wereldwijd belangrijk B2C-internetbedrijf heeft voortgebracht, toont aan dat er een groot probleem is met ondernemerschap. "Waarom is Google niet in Duitsland gemaakt", vroeg de voormalige CEO van de onlinemuziekdienst Napster zich vorig jaar af tijdens een toespraak. Door het gebrek aan een ondernemingscultuur waarin men risico's durft te nemen, was een deel van zijn antwoord. Ondanks bedrijven als de internetdienst voor audio- en videoconferenties Skype (opgericht door een Deen en een Zweed) of de Britse onlinegeldschieter Wonga, zijn de Europese ondernemers nog altijd ondervertegenwoordigd op het internet. Toch kan Europa uitpakken met succesverhalen. Zo is er de Spanjaard Amancio Ortega, die op zijn dertiende begon te werken in een kledingzaak en vervolgens het fast-fashionimperium Inditex oprichtte. Oostenrijk heeft Dietrich Mateschitz, die de drankenproducent Red Bull opzette. In Frankrijk ontketende Xavier Niel een gsm-revolutie door de consumenten extreem lage tarieven aan te bieden. En Groot-Brittannië heeft natuurlijk zijn Richard Branson. Maar de lijst is kort en heel wat Europese ondernemers - sir Richard uitgezonderd - moffelen hun succes weg. Ortega heeft nog nooit een interview gegeven en blijkbaar zijn van hem slechts twee foto's gepubliceerd. Ook Ingvar Kemprad, de miljardair die IKEA oprichtte, ontwijkt zorgvuldig de spotlights. Heel wat aspirant-ondernemers vertrekken gewoon. Er wonen zowat 50.000 Duitsers in Silicon Valley en in de San Francisco Bay zijn er naar schatting 500 start-ups met Franse roots. Ze vinden er de vrijheid om te mislukken. Als je firma over de kop gaat in Frankrijk krijg je geen tweede kans, zegt Dan Serfaty, de Franse oprichter van Viadeo, een snel groeiende website voor zakelijk netwerken. In een poging te achterhalen wat de ondernemers tegenhoudt, deed de Commissie vorig jaar onderzoek naar insolventieregimes. Ze kwam tot het besluit dat heel wat landen insolvente ondernemers beschouwen als fraudeurs, ook al is bij slechts een fractie van de faillissementen sprake van fraude. Sommige landen verbannen mislukte ondernemers jarenlang naar het vagevuur. Groot-Brittannië scheldt de schulden van een gefailleerde na twaalf maanden kwijt, in de VS gebeurt dat meestal sneller. Volgens de Commissie verwacht men in Duitsland dat het zes jaar duurt voor men een nieuwe startkans krijgt, in Frankrijk houdt men het zelfs bij negen jaar. In Duitsland kunnen ondernemers na een bankroet levenslang uitgesloten worden van een hogere directiefunctie in grote ondernemingen. Een andere belangrijke horde is de financiering. Het is vrij gemakkelijk tot een miljoen euro los te krijgen van de zogenaamde friends, fools and family. Maar er is een schrijnend tekort aan financiering voor de 1,5 tot 4 miljoen euro die firma's nodig hebben om een idee uit te werken tot een reëel businessmodel. Institutionele beleggers als pensioenfondsen beschouwen het Europese durfkapitaal als een slechte categorie van activa. Europese durfkapitalisten hebben in de periode na het uiteenspatten van de dotcomzeepbel - tussen 2000 en 2010 - geld verloren. Het bedrag dat geïnvesteerd werd in Europees risicokapitaal is gehalveerd van 8,2 miljard euro in 2007 tot 4,1 miljard vorig jaar. Bovendien komt tegenwoordig een groot deel van het risicokapitaal van overheidsinstanties en niet van privé-investeerders. In de derde financieringsfase, wanneer de firma's tot 20 miljoen euro trachten op te halen om voort te bouwen op wat een succes lijkt, is Amerikaans geld veel makkelijker beschikbaar. Alhoewel. Aangezien Amerikaanse fondsen afhankelijk zijn van grote treffers om te compenseren voor tientallen mislukkingen, zijn ze nog altijd meer geneigd ondernemers te steunen in eigen land of in snel groeiende economieën. Overigens loopt het met de meeste Europese ondernemers slecht af lang voor ze het stadium van 20 miljoen bereiken. De derde grootste hindernis is de arbeidswetgeving. Willen jonge ondernemingen bijna-fatale vergissingen of schommelingen van de vraag kunnen opvangen, dan moeten de personeelskosten snel en goedkoop kunnen verlagen. In veel Europese landen is dat een stuk moeilijker dan elders in de wereld. De moeilijkheid en de kostprijs om in Europa mensen te ontslaan, vormen een grote bekommernis voor Amerikaanse durfkapitalisten. Europese ondernemers hebben het bovendien niet makkelijk om werknemers te lokken met de belangrijkste wapens om een start-up aantrekkelijk te maken: aandelen en opties. Ook dat beperkt het vermogen van de entrepreneurs om mensen ertoe te brengen hun carrière een riskante wending te geven. Wie zijn nieuwe rekruten gratis aandelen wil geven, moet door een haast onontwarbaar juridisch kluwen, klinkt het bij een onderneming die iemand poogt af te snoepen van Google, dat de vaste gewoonte heeft om Google-aandelen uit te delen. Al die zaken hebben Europa opgezadeld met een schaarste aan het soort ondernemingssuccessen die anderen kunnen inspireren. Slechts weinigen denken dat ze miljonair zullen worden door aan de slag te gaan bij een 'gek in een garage'. De algemene indruk is dat Sergei Brin nooit de medeoprichter van Google was geworden, als zijn vader naar Frankrijk was getrokken nadat hij Rusland had verlaten in plaats van naar de VS. Hoewel ze de vraag fnuikten en financiering nog moeilijker gemaakt hebben, kunnen de grote recessie en de eurocrisis ook een opportuniteit zijn voor het Europese ondernemerschap. Ze kunnen de risicoperceptie van de Europeanen veranderen. Zo zijn executives bijvoorbeeld veel meer geneigd bij een start-up te beginnen als de grote ondernemingen personeel afstoten. Sinds de crisis begon in 2007 heeft zijn wereldwijde wifigemeenschap Fon het bijvoorbeeld veel makkelijker om mensen te rekruteren, stelt Martin Varsavsky, een Argentijn die al een hele reeks ondernemingen begonnen is en verscheidene telecombedrijven heeft opgericht in Spanje. De ingenieurs die hij vroeger graag wou aanwerven, kozen voor de telefoniereus Telefónica of het mediabedrijf Prisa. Maar nu die ondernemingen mensen ontslaan, blijken goed geschoolde mensen meer bereid voor een nieuw bedrijf te komen werken. Dat maakt Europa aantrekkelijker. In een presentatie die Varsavsky vorig jaar gaf onder de titel 'Waarom u uw onderneming niet naar Silicon Valley moet verhuizen', wees hij erop dat de lonen voor software-ingenieurs in Europa nu 70 procent lager liggen dan in Californië. Miljoenen jonge mensen zoeken werk. Bovendien telt Europa een pak minder advocaten die jonge ondernemingen het leven moeilijk kunnen maken, en een heleboel beschermde, niet-competitieve sectoren die rijp zijn om open te breken. THE ECONOMISTDe crisis kan een opportuniteit zijn. Executives zijn veel meer geneigd bij een start-up te beginnen als de grote ondernemingen personeel afstoten