Door de afwezigheid van grondstoffen moet Vlaanderen het vooral hebben van de beschikbare grijze massa. Wetenschappelijk onderzoek wordt - terecht - beschouwd als een belangrijke motor van economische groei en is dus een beleidsprioriteit. Maar hoe verhouden wetenschap en economie zich concreet tot elkaar?
...

Door de afwezigheid van grondstoffen moet Vlaanderen het vooral hebben van de beschikbare grijze massa. Wetenschappelijk onderzoek wordt - terecht - beschouwd als een belangrijke motor van economische groei en is dus een beleidsprioriteit. Maar hoe verhouden wetenschap en economie zich concreet tot elkaar? Paula Stephan beantwoordt deze vraag in haar nieuwste boek How Economics shapes Science. Stephan is hoogleraar economie aan de Georgia State University in Atlanta. De bevindingen van Stephan zijn opvallend. Wetenschapsbeoefening wordt volgens haar in sterke mate gestuurd door de economie. Het romantische beeld van de wat wereldvreemde wetenschapper die baanbrekende doorbraken realiseert, moet volgens haar dringend bijgesteld worden. Wetenschap beoefenen kan niet op een eiland. Vaak wordt vergeten dat wetenschap in eerste instantie peperduur is. Stephan toont empirisch aan dat onderzoekers, vaak onbewust, economisch denken. Als ze moeten bepalen welk onderzoeksdomein ze willen verkennen, kunnen ze kiezen voor een onbekend terrein met hoge risico's en een potentieel hoge opbrengst. Een veiliger keuze is te kiezen voor een vertrouwd terrein waarover al veel geweten is. Stephan toont helder aan dat steeds meer wetenschappers voor dat laatste kiezen. De economische druk om 'iets' te vinden is te groot geworden. Het risico dat niets gevonden wordt, kan en mag niet meer genomen worden. Een andere vaststelling is dat universiteiten zeer veel druk uitoefenen op het personeel, onderzoekers en hoogleraars dus, om geld binnen te halen voor onderzoeksprojecten. Een indirect gevolg hiervan is dat de universiteiten steeds meer bevolkt worden door onderbetaalde, vaak buitenlandse, doctoraatsstudenten die het gros van het onderzoek doen. De carrièreperspectieven van deze slimme jonge mensen zijn volgens Stephan meestal slecht. De opleiding duurt te lang, er is een schaarste aan academische posities en er zijn gewoon te veel doctorandi. In het boek komt een rector aan bod die vertelt dat hij voor een positie aan de universiteit wel 150 aanvragen kreeg van mensen die allemaal in aanmerking kwamen voor de job. De vereisten waren nochtans niet min. De auteur besteedt uiteraard ook aandacht aan de relevantie van het aantal publicaties in wetenschappelijke tijdschriften. Moet je als wetenschapper kiezen voor de publicatie van tientallen artikels die ook voor het brede publiek toegankelijk zijn of geniet de keuze voor één diepgravende, ingewikkelde en soms hermetische publicatie in een gerenommeerd wetenschappelijk tijdschrift de voorkeur? Sommige overheden belonen onderzoekers met financiële premies als ze hun resultaten gepubliceerd krijgen in een gerenommeerd vakblad. Volgens Paula Stephan werkt dat systeem niet goed. Ze kwam tot de conclusie dat het aantal ingediende stukken weliswaar enorm toenam, maar dat het aantal daadwerkelijk gepubliceerde stukken zelfs lichtjes afnam. Wetenschappers kunnen economisch hun aandacht beter elders op richten dan tijd te steken in wetenschappelijke artikels die niet alleen weinig kans hebben op publicatie, maar bovendien amper gelezen worden. Paula Stephan, How Economics Shapes Science, Harvard University Press, 2011, 384 blz., 40 euro THIERRY DEBELS