Een van de meest merkwaardige bestsellers ooit geschreven is Het meten van de wereld. In die roman beschrijft Daniel Kehlman de intellectuele parallellen tussen twee grote Duitse wetenschappers, die beiden de ambitie hadden de wereld te meten. Carl Friedrich Gauss zette bijna geen voet buiten zijn dorp, maar lag wel aan de grondslag van de grootste inzichten in de geografie en de statistiek. Iedereen kent wel de gausskromme. De tweede held is een echte held. Alexander von Humboldt reisde de wereld af, observeerde ter plaatse, vaak in erbarmelijke en ronduit gevaarlijke situaties.
...

Een van de meest merkwaardige bestsellers ooit geschreven is Het meten van de wereld. In die roman beschrijft Daniel Kehlman de intellectuele parallellen tussen twee grote Duitse wetenschappers, die beiden de ambitie hadden de wereld te meten. Carl Friedrich Gauss zette bijna geen voet buiten zijn dorp, maar lag wel aan de grondslag van de grootste inzichten in de geografie en de statistiek. Iedereen kent wel de gausskromme. De tweede held is een echte held. Alexander von Humboldt reisde de wereld af, observeerde ter plaatse, vaak in erbarmelijke en ronduit gevaarlijke situaties. Daaraan moest ik denken toen ik het boek Het kan niet waar zijn las. Joris Luyendijk legt erin uit hoe de wereld van het zakenbankieren echt in mekaar zit. Hij heeft het veldwerk gedaan, hij heeft geprobeerd zo veel mogelijk bankiers te pakken te krijgen en heeft er uiteindelijk tweehonderd geïnterviewd. Zijn conclusies verwoordde hij treffend in zijn interview met Trends van 19 februari: "De realiteit is dat niemand weet hoe het vliegtuig aan de grond gezet kan worden." Als Luyendijk von Humboldt vertegenwoordigt, dan ben ik Gauss, en ik hoop dat ik met die vergelijking de grote man niet te veel beledig. Ik heb analyses gemaakt van de wereld van het snelle geld en in mijn boek Managementshock van 2002 heb ik mijn conclusies neergepend: over vijftien à twintig jaar komt er een volgende crisis op ons af. Wat toen gebeurde, de dotcomcrisis, zouden we niet snel vergeten. Vijf jaar later daverde onze economie opnieuw op haar grondvesten. Een echte hondenliefhebber zal in een boek over Duitse schepers heel veel boeiende nieuwe details aantreffen, maar omdat een hond nu eenmaal een hond is, zal er fundamenteel niets verrassend nieuws in staan. Een hond leeft niet onder water, eet geen gras, herkauwt niet en wentelt zich niet in drek. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor het boek van Luyendijk. Als je weet hoe het (bank)systeem werkt, wat management is en je hebt wat mensenkennis, dan kom je helaas tot dezelfde conclusies als de auteur. En tot welke verontrustende inzichten komt men als men probeert de bankwereld te meten? Net zoals een paar treinbestuurders het volledige spoorverkeer kunnen lamleggen, zijn er slechts een paar bankiers nodig om het hele systeem te ontwrichten. Bijna alle bankiers zijn correcte mensen. Het gaat hier niet over een paar zogeheten rotte appels, maar over de essentie. Het banksysteem is fundamenteel zo georganiseerd dat perverse prikkels altijd wel voldoende personen zullen aanzetten tot volkomen onverantwoord risicovol gedrag. Door de ondraaglijke druk van anonieme aandeelhouders ontstaat er een 'toon aan de top', die haast onafwendbaar moet leiden tot volkomen disfunctioneel gedrag. In een veel te complexe omgeving die niemand nog volledig begrijpt, zijn er net te veel mogelijkheden om, zonder het te beseffen, niet een kaars aan te steken, maar een lont aan het kruitvat. De complexiteit moet dus worden afgebouwd, radicaal en onvoorwaardelijk. Maar daarmee verdwijnt ook de mogelijkheid om, tussen de plooien van de wetgeving door, voldoende aandeelhouderswaarde te creëren. Als bankieren enkel beperkt blijft tot transparante transacties, moeten de rendementen via het spel van de concurrentie dalen tot een niveau dat elke aandeelhouder frustreert. De andere mogelijkheid, groeien via radicale innovatie, is in de bankwereld de facto onmogelijk, tenzij net in die segmenten waar je risico's verschuift of onzichtbaar maakt... tot ze plots, op spectaculaire en zeer onaangename wijze, weer zichtbaar worden. De perverse prikkels van het grote geld zijn bovendien zo'n belangrijk onderdeel van het systeem geworden, dat het systeem zonder die prikkels verdwijnt. En dat is natuurlijk de allerbelangrijkste dreiging: geen systeem meer. Ik heb bij vorige crises geld uit de muur gehaald als buffer voor wat komen zou. Topbankiers deden dat volgens Luyendijk toen ook. Dat is weinig geruststellend. Maar het is nu weer bijna acht jaar geleden. Laten we dus vooral vrolijk zijn en het volste vertrouwen hebben in het banksysteem. De auteur is professor-emeritus aan de Vlerick Business School. MARC BUELENSDe perverse prikkels van het grote geld zijn zo'n belangrijk onderdeel van het banksysteem geworden, dat het systeem zonder die prikkels verdwijnt.