Eerst was er de studie van het ratingbureau Standard & Poor's (S&P) die voorspelde dat de vergrijzingkosten de Belgische staatsschuld tegen 2050 doen oplopen tot 365 procent van het bbp. Vanaf 2030 zou 30 procent van het bbp naar vergrijzingskosten gaan.
...

Eerst was er de studie van het ratingbureau Standard & Poor's (S&P) die voorspelde dat de vergrijzingkosten de Belgische staatsschuld tegen 2050 doen oplopen tot 365 procent van het bbp. Vanaf 2030 zou 30 procent van het bbp naar vergrijzingskosten gaan. Daarna was er het rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) dat voorspelde dat de Belgische pensioenuitgaven de komende twintig jaar met 12,6 miljard of 3,6 procent van het bbp stijgen. Tenminste, zonder hervorming van het pensioenstelsel. En zo'n hervorming heeft België broodnodig, zo leert de lectuur van het tweejaarlijkse pensioenrapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) Pensions at a Glance 2011. De volgende Belgische regering doet er goed aan maatregelen te nemen om de werkgelegenheidsgraad van 55-plussers te doen stijgen. Die bedraagt nu amper 35 procent. Italië, Hongarije, Polen en Turkije zijn samen met België de enige OESO-landen waar minder dan de helft van de 50- tot 65-jarigen aan de slag is. De ontslagnemende Belgische regering heeft wel intenties om die werkgelegenheidsgraad op termijn op te trekken naar 50 procent en meer. Een cijfer dat dit najaar zeker op tafel ligt bij de evaluatie van het Generatiepact. Een Generatiepact dat er volgens de OESO niet echt in geslaagd is meer oudere werknemers aan de slag te helpen. Als er de voorbije jaren meer ouderen actief werden, heeft dat vooral te maken met de stijgende arbeidsmarktparticipatie van vrouwen. Dat was tussen 1995 en 2008 een algemene trend in de OESO-landen. In die periode steeg de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen tussen 50 en 65 jaar met 11 procentpunt, tegen 4 procentpunt bij de mannen. Volgens de studie van de OESO blijft het grote probleem dat het in een aantal landen de moeite loont om vroeg met pensioen te gaan. Dat geldt zeker voor België. Ons land heeft een van de hoogste impliciete belastingen op werken voor 55-plussers. Het is in België financieel voordelig om vroeger te stoppen met werken. Wie in ons land een jaar langer werkt, riskeert gemiddeld tot 20 procent van zijn totale pensioeninkomen te verliezen. Dat zit zo: wie een jaar langer werkt, heeft recht op een hoger jaarlijks pensioen. Maar langer werken betekent ook minder lang van een pensioen genieten. Het totale verwachte pensioeninkomen kan daarom dalen bij langer werken. De 'winst' van de toekomstige stroom geactualiseerde uitkeringen weegt vaak zwaarder door dan het extra arbeidsinkomen van een jaar doorwerken. Werknemers voelen dan ook niet de behoefte om langer aan de slag te blijven. Zeker omdat er in België amper financiële prikkels zijn die tot een gedragsverandering kunnen leiden. België kent wel een pensioenbonus voor wie langer dan zijn 62ste werkt, maar er bestaat geen bonus-malussysteem. Bij een malus daalt het pensioeninkomen per jaar dat je vroeger stopt dan de officiële pensioenleeftijd. 22 OESO-landen (waaronder Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Zweden en Noorwegen) hebben wel zo'n systeem en daar is het financieel wel aantrekkelijk om langer aan de slag te blijven. De Zweden krijgen per gewerkt jaar boven de pensioenleeftijd van 65 jaar 8 procent extra op het jaarlijkse pensioen. Een jaar vroeger stoppen betekent een verlies van 6 procent op de uitkering. Duitsland heeft ook zo'n bonus van 6 procent en een malus van 3,6 procent per jaar. België bevindt zich dan weer in het gezelschap van landen als Griekenland, Portugal en Italië waar vroeger stoppen niet wordt bestraft. De invoering van een Belgische pensioenmalus zou de werkgelegenheidsgraad van 55-plussers een aanzienlijke impuls geven, blijkt uit OESO-onderzoek. Indien België een stelsel invoert waarbij de wettelijke pensioenleeftijd wordt behouden, maar waarbij een vervroegd pensioen mogelijk is vanaf 60 jaar met het verlies van 6 procent pensioenbedrag per jaar, dan zou de gemiddelde uittredeleeftijd stijgen van 58 naar 61 jaar. Dat zou meteen voor de financiële ademruimte zorgen om de schok van de vergrijzing op te vangen: niet alleen moeten er minder pensioenuitkeringen worden betaald, bovendien blijven de mensen die werken ook sociale bijdragen betalen. Een opvallende vaststelling van het OESO-rapport is dat het vooral voor de lagere inkomens niet aantrekkelijk is om langer te werken. Wie in België een inkomen heeft dat de helft bedraagt van het mediaaninkomen zou tot een kwart van het pensioen verliezen bij één jaar langer werken. In vergelijking met andere eurolanden is het in België zeer onaantrekkelijk om langer te werken (zie tabel Wijziging in pensioeninkomen bij één jaar langer werken). Opvallend is ook dat Belgen tussen 60 en 65 jaar met een hoger inkomen minder pensioen verliezen als ze een jaar langer werken. Voor deze cijfers bestaan twee verklaringen. In België zijn de pensioenbijdragen niet geplafonneerd. Dat betekent dat hoe hoger het inkomen is, hoe hoger de bijdragen zijn. Maar de uitkeringen zijn wel geplafonneerd. Dat deel van het inkomen dat boven 40.000 euro bruto per jaar uitkomt, wordt niet meegerekend in de berekening van de pensioenuitkeringen. Wat betekent dat een deel van de sociale bijdragen zuivere belastingen zijn. Werknemers met dat hogere inkomen denken dus twee keer na voor ze met pensioen gaan aangezien die uitkering in verhouding met een loon laag uitvalt. Anders is het gesteld met de lagere inkomens wier pensioen berekend wordt op hun totale loon. Dat pensioen ligt dan ook relatief hoog en dus is het voor mensen met een kleiner inkomen ook interessanter om vroeger uit de arbeidsmarkt te stappen. Tweede reden waarom de incentive om te werken beperkter is bij lage inkomens is de welvaartsvastheid van de pensioenen. Sinds het Generatiepact worden die uitkeringen en vooral dan de minimumpensioenen niet langer alleen aangepast aan de levensduurte (de index), maar ook aan de welvaartsevolutie. Met als gevolg dat de pensioenuitkeringen de voorbije jaren sneller zijn gestegen dan de lonen. Dat maakt het ook interessanter om te stoppen met werken. Om het pensioenstelsel betaalbaar te houden, heeft een aantal landen een pensioensysteem ingevoerd waarbij de hoogte van het pensioen onder andere wordt bepaald door de levensverwachting. De pensioenleeftijd wordt niet plots verhoogd, maar geleidelijk in verhouding tot de levensverwachting. Concreet: wie vroeger op pensioen gaat, zal het langer met de opgebouwde pensioenrechten moeten doen en dus een lager maandelijks bedrag ontvangen. Wie langer aan de slag blijft, zal een grotere reserve aan pensioenrechten opbouwen en daardoor ook een hoger maandelijks pensioen uitgekeerd krijgen. In Zweden is 100 procent van de pensioenrechten verbonden aan de levensverwachting. In andere landen is dat veel minder het geval. En als het al gebeurt, is het vaak via de aanvullende pensioenen, niet via het wettelijke pensioen. Zoals in België waar alleen bij bepaalde vormen van aanvullend pensioen een leeftijdscoëfficiënt in rekening wordt genomen. De OESO raadt aan dat landen als België dringend een leef-tijdscoëfficiënt invoeren bij de vastlegging van een groot deel van de pensioenuitkering. ALAIN MOUTONWie in België een inkomen heeft dat de helft bedraagt van het mediaan-inkomen verliest tot een kwart van het pensioen bij één jaar langer werken. In Zweden is 100 procent van de pensioenrechten verbonden aan de levensverwachting.