door alain mouton - illustratie debora lauwers
...

door alain mouton - illustratie debora lauwersPeter was jarenlang boekhouder in een kmo. Hij verdiende er bruto 2000 euro per maand, waarvan hij netto 1415 euro overhield. Toen kreeg hij een aanbod om controller te worden bij een groot chemisch bedrijf. Zijn brutoloon steeg met de helft, tot 3000 euro. Maar netto verdiende hij slechts 30 procent meer: 1840 euro. Na een jaar schopte Peter het tot hoofd van de interne auditdienst. Op zijn loonbrief stond bruto 7500 euro, netto verdiende hij 3700 euro. Het Belgische systeem waarbij de lasten op het loon relatief meer stijgen dan het loon zelf, wordt Peter uiteindelijk te veel. Hij beslist zelfstandige te worden, een eigen vennootschap op te richten en via een gespecialiseerd wervings- en selectiebureau verschillende opdrachten als financieel kaderlid uit te oefenen. Maandelijks factureert Peter voor zijn opdrachten ongeveer 9500 euro, de vroegere totale loonkosten van zijn werkgever. Hij betaalt zichzelf een loon als bedrijfsleider en keert zichzelf regelmatig dividenden uit. Op die manier heeft hij maandelijks 5000 euro netto op zijn bankrekening. Wat Peter doet, is geen uitzondering in België. Steeds meer hogergeschoolden - vooral in financiële beroepen - werken als zelfstandige met een eigen vennootschap en voeren bij verschillende bedrijven opdrachten uit. De verschuiving is spectaculair: vijftien jaar geleden werden zo goed als alle financiële functies door bedienden ingevuld. Tegenwoordig zijn het voor 80 procent zelfstandigen. Allemaal mensen die aan den lijve ondervinden dat de sociale lasten op hoge en middeninkomens enorm hoog liggen en uit het werknemersstatuut stappen. En er is nog een reden: de sociale bijdragen op het loon zijn niet geplafonneerd, terwijl er wel een maximumgrens is voor de pensioenen die ze ooit zullen krijgen. Deze situatie is een rechtstreeks gevolg van een doorgeslagen herverdeling in de financiering van de sociale zekerheid. Een steeds kleinere groep van werknemers moet een steeds groter deel van de sociale zekerheid financieren. Zij beseffen dat ze een toenemend deel van hun brutoloon nooit zullen terugzien in de vorm van bijvoorbeeld een hoger pensioen. De sociale zekerheid, die verzekering en solidariteit moet combineren, is steeds meer een zuiver herverdelingsinstrument geworden. De legitimiteit van onze sociale zekerheid komt daarmee onder druk, en steeds meer Belgen stappen uit het stelsel. En toch gaan steeds meer stemmen op om de herverdeling van de welvaart nog verder door te trekken. Alleen zo kan de stijgende armoede ingedamd worden, luidt het, en blijft de financiering van de sociale zekerheid gegarandeerd. De hogere inkomens zouden dus nog meer dan nu het geval is geld moeten doorsluizen naar mensen met lagere inkomens en uitkeringsgerechtigden. Onder andere Bea Cantillon (Centrum voor Sociaal Beleid) heeft er de mond van vol. Vlaams minister Ingrid Lieten (sp.a) brak onlangs een lans voor een verhoging van de minimumuitkeringen met 150 euro. Haar partijgenoot Frank Vandenbroucke (sp.a) besteedt in zijn lezenswaardig rapport uitgebreid aandacht aan de noodzaak van herverdeling. Recente cijfers suggereren inderdaad dat de kloof tussen arm en rijk in België groter wordt. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de zogenaamde Gini-coëfficiënt. Die is gelijk aan 0 als in een land iedereen hetzelfde inkomen heeft. Als één persoon alle inkomens heeft de rest van de bevolking niks, dan is de coëfficiënt 1. Als de Gini-coëfficiënt stijgt, stijgt dus ook de inkomensongelijkheid. In België bedroeg de coëfficiënt twintig jaar geleden 0,246. Tegenwoordig is dat 0,312. De kloof tussen arm en rijk wordt dus groter, maar met dit cijfer zit België nog altijd in de Europese middenmoot. Dat blijkt ook uit de gegevens van Eurostat. Het Europees statistisch bureau heeft berekend dat de 20 procent hoogste beschikbare inkomens in België 3,9 keer hoger liggen dan de 20 procent laagste inkomens. In de Angelsaksische, Zuid-Europese en Baltische landen is de loonspanning groter. Bij de gestegen Gini-coëfficiënt moet bovendien een bedenking geplaatst worden. Volgens een aantal economen is de coëfficiënt gestegen omdat de inactiviteit en werkloosheid zijn toegenomen. Mensen die van een uitkering leven, verdienen nu eenmaal niet zoveel als werkenden. "De relatief lage Belgische Gini-coëfficiënt wijst op een behoorlijk billijke inkomensverdeling nadat de overheid belastingen heeft geheven en sociale bijdragen geïnd", stelt Etienne de Callataÿ, hoofdeconoom van Bank Degroof. "Nu de ongelijkheid toeneemt, pleiten politici voor herverdeling. Maar het is een beter idee om werk te maken van een billijke primaire inkomensverdeling. Er moeten met andere woorden meer mensen aan de slag." De Callataÿ benadrukt ook dat de Gini-coëfficiënt duidelijke beperkingen heeft: "De inkomsten worden in rekening genomen, maar niet het patrimonium. De crisis heeft daar voor een echte herverdeling gezorgd. De waarde van het vastgoed van rijke Belgen is gedaald. Aan de andere kant krijgen de lagere inkomens nu de kans om een woning te kopen, want de prijzen zijn gedaald, net als de hypotheekrente. De coëfficiënt houdt bovendien geen rekening met de zwarte economie, die ook zwakkere groepen ten goede komt." De Gini-coëfficiënt is dus allesbehalve het zaligmakende instrument om de ongelijkheid of het gebrek aan herverdeling te detecteren. Andere cijfers tonen bovendien aan dat er in België wel degelijk sprake is van een sterke herverdeling, zowel van hoge en middeninkomens naar lage inkomens, als van werkenden naar inactieven. Wie voorstander is van een of ander stelsel van solidariteit, vindt het niet meer dan normaal dat hogere lonen relatief meer worden belast. Maar van de Belgische midden- en hoge inkomens wordt wel heel veel solidariteit gevraagd. In het statistisch zakboekje van het VBO staan in dat verband veelzeggende cijfers. Zoals geweten, is de belasting op arbeid bijna nergens zwaarder dan in België. Maar dat geldt niet voor de laagste lonen, daar zitten we zelfs onder het Europese gemiddelde (28,3 procent tegenover 29,2 procent). De lasten op een gemiddeld loon (circa 3000 euro) liggen dan weer een stuk hoger: 55,4 procent tegenover 41,2 procent. Op lage lonen worden amper nog sociale bijdragen betaald. (zie tabel Vooral midden- en hoge lonen betalen sociale bijdragen) Sinds een tiental jaar heeft de federale regering haar fiscale en parafiscale beleid langzaam omgebogen: België sloeg de weg van lastenverlagingen in. De belastingschalen in de personenbelasting zijn opnieuw geïndexeerd; de crisisbelasting gaat met 1 procent per jaar omlaag, eerst voor de laagste, vervolgens voor de andere inkomens; de hoogste aanslagvoeten in de personenbelasting (52,5 en 55 procent) werden afgeschaft... Ook de sociale bijdragen gingen omlaag, vooral die op de laagste inkomens. Dat gebeurde via de werkbonus, een korting op de sociale bijdrage van de werknemer. In zijn jongste sociaal-economische nieuwsbrief (eind februari 2010) besteedt de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) uitgebreid aandacht aan de impact van die lastenverlagingen. De maatregelen blijken vooral de laagste inkomens ten goede te komen. Ook de hoogste inkomens hebben er wat aan, de middeninkomens blijven in de kou staan. De laagste inkomens hebben voordeel gehaald uit de invoering en uitbreiding van het werkbonussysteem. De korting op de eigen sociale bijdrage daalt immers naarmate het loon hoger is. De hoge lonen profiteerden dan weer van de afschaffing van de hoogste marginale aanslagvoeten. Voor de werknemers die daartussen vielen, steeg het nettoloon tegen vaste prijzen het minst. Zij profiteerden niet van de werkbonus en hadden ook niks aan de afschaffing van de hoogste aanslagvoeten. (zie tabel Vooral lagere lonen genieten van lastenverlagingen). De (para)fiscale ommezwaai heeft de laagste nettolonen met andere woorden relatief het meest doen stijgen. De stijging is een pak kleiner voor de hoogste lonen, maar vooral de middeninkomens zijn nauwelijks gebaat bij de lastenverlagingen. Hun nettoloon neemt relatief het minst toe. Het beleid heeft dus gezorgd voor meer herverdeling die vooral door de middeninkomens wordt gedragen. De financiering van het pensioenstelsel heeft een sterk herverdelend effect. In België zijn de sociale bijdragen niet geplafonneerd, wel de uitkeringen. Het deel van het jaarloon boven de grens van 44.082 euro wordt niet meegeteld in de berekening van de pensioenuitkering. Een kwart van de Belgen zit boven die grens en betaalt dus bijdragen waarvan ze nooit een euro zullen terugzien. Een deel van de bijdragen is bijgevolg een zuivere belasting. Dat fenomeen wordt de komende jaren nog omvangrijker door de blijvende loonstijgingen. Daardoor zal weliswaar ook het loonplafond stijgen, maar de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid heeft berekend dat de verhouding tussen de pensioenuitkering en het laatste loon (de zogenaamde vervangingsratio) de komende jaren kleiner wordt voor wie in zijn carrière een stuk meer verdiende dan het gemiddelde loon. Iemand met een gemiddeld loon kan tegenwoordig rekenen op een pensioen 63,7 procent van zijn laatste loon bedraagt. In 2046 zal die ratio licht gedaald zijn (63,3 procent). Wie slechts twee derde van het gemiddelde loon verdient, ziet zijn vervangingsratio echter toenemen van 63,9 tot 70,9 procent. Wie fors meer verdient dat het gemiddelde, moet nu al flink inleveren wanneer hij met pensioen gaat, en dat wordt tegen 2046 alleen maar erger. De hoogste inkomens zullen dan zelfs terugvallen op 37,1 procent van hun laatste loon. (zie tabel Vervangingsratio's na een loopbaan van 40 jaar) De Belgische wettelijke pensioenen zijn laag, en zullen alleen maar lager worden. Maar dat is geen gevolg van een gebrek aan solidariteit. Minister Lieten pleit ervoor om de minimumuitkeringen met 150 euro te verhogen. Nochtans zijn de vervangingsinkomens - en dus ook de minimumuitkeringen - al een paar jaar met een inhaalbeweging bezig. Vooral in de periode 2000-2008 zijn de vervangingsinkomens sterk toegenomen. In die tijdspanne stegen de minimumpensioenen voor werknemers met 9,5 procent. Het minimumpensioen voor zelfstandigen groeide in diezelfde periode met 31 procent. De invaliditeitsuitkeringen voor werknemers stegen dan weer met 11,5 procent. Ook de werkloosheidsuitkeringen zijn toegenomen. Een alleenstaande werkloze kreeg in die periode 23 procent meer. Het gros van deze welvaartsaanpassingen is gerechtvaardigd, aangezien ze eigenlijk een inhaaloperatie betekenen. De groei van de vervangingsinkomens was jarenlang enkel gekoppeld aan de evolutie van de index, en niet aan de stijging van de lonen. Met het Generatiepact van 2005 werd bovendien een structureel mechanisme geïnstalleerd dat de sociale uitkeringen koppelt aan de welvaartsevolutie. Maar het ziet ernaar uit dat de uitkeringen niet enkel de evolutie van de lonen volgen, maar zelfs sterker toenemen. De uitkeringen stijgen momenteel volgens een jaarlijkse productiviteitsgroei van 1,75 procent. De reële productiviteit neemt echter slechts met 1,25 tot 1,50 procent toe, en die vormt de basis voor de loonstijging. Volgens Bernadette Adnet, hoofd van het sociaal departement van het VBO, "stijgen de uitkeringen nu sneller dan de lonen ten gevolge van de relatieve loonmatiging. Het VBO is dan ook vragende partij om die inhaalbeweging te evalueren."Een steeds kleinere groep van werknemers moet een steeds groter deel van de sociale zekerheid financieren.