Enkele weken geleden besliste het Grondwettelijk Hof, dat de wettelijke regeling inzake de 'bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid' strijdig is met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel, doordat zij niet bepaalt hoe lang de verjaringstermijn is (arrest van 9 juli 2009).
...

Enkele weken geleden besliste het Grondwettelijk Hof, dat de wettelijke regeling inzake de 'bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid' strijdig is met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel, doordat zij niet bepaalt hoe lang de verjaringstermijn is (arrest van 9 juli 2009). De 'bijzondere bijdrage' die het Grondwettelijk Hof nu als discriminerend bestempelt, is niet de 'bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid' die werknemers sinds een vijftiental jaar verschuldigd zijn. Het gaat wel om de bijzondere bijdrage die in de jaren tachtig verschuldigd was door alle sociaal verzekerden met een belastbaar inkomen van meer dan drie miljoen frank. Met die inmiddels ongeveer twintig jaar geleden afgeschafte bijdrage was er van alles mis. De bijdrage vertoonde alle kenmerken van een gewone belasting. Maar om politieke redenen mocht de nieuwe heffing geen belasting worden genoemd. Ze kreeg daarom de benaming bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid. De ontkenning dat het in feite een belasting betrof, ging heel ver. Zo werd er alles aan gedaan om de fiscus zo ver mogelijk weg te houden van de invordering van de heffing. Die werd niet toevertrouwd aan de fiscus en ook niet aan de RSZ. In plaats daarvan werd zij als een koekoeksei in de schoot gelegd van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA). Dat was bijzonder bizar. De RVA heeft immers geen enkele ervaring met het innen van belastingen of van sociale bijdragen, en is daar ook niet voor uitgerust. Blijkbaar was de RVA zelf ook niet gelukkig met de rol die haar werd toebedeeld. Want de enkele ambtenaren die zich met het invorderen van de nieuwe heffing moesten bezighouden, werden als het ware weggemoffeld. Zij moesten het stellen met een kantoortje in de kelders van het RVA-gebouw, waar zij zo goed als aan hun lot werden overgelaten en maar zelf moesten uitzoeken hoe ze de verhoopte opbrengsten tot stand konden brengen. Merkwaardig was wel, dat de nieuwe heffing binnen de kortste keren uitgroeide tot een soort statussymbool. In bepaalde kringen was het bon ton om op recepties te laten horen dat je een van de slachtoffers van de bijzondere bijdrage was. Wist iedereen meteen dat je een - voor die tijd - riant salaris had van meer dan drie miljoen frank. Met deze bijzondere bijdrage was er nog meer mis. Zo moest bij de toepassing van de bijzondere bijdrage ook rekening worden gehouden met de roerende inkomsten (intresten, dividenden, enzovoort.). Maar het probleem was dat de wetgever de roerende voorheffing rond diezelfde tijd bevrijdend had verklaard. Dit had tot gevolg, dat de roerende inkomsten waarop roerende voorheffing was ingehouden, niet meer op het aangifteformulier in de personenbelasting moesten worden vermeld. Daardoor kwamen zij niet meer voor in het belastbaar inkomen zoals dat aan de kelders van het RVA-gebouw werd meegedeeld. De dienst die voor de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid instond, heeft dan maar zelf een eigen aangifteformulier ontworpen waarop de roerende inkomsten speciaal met het oog op deze bijzondere bijdrage moesten worden vermeld. Pikant detail: het model van dit formulier is tot op vandaag nooit officieel vastgesteld. Een ander groot probleem was de verjaring. De normale verjaringstermijnen voor de gewone sociale bijdragen waren niet op de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid van toepassing verklaard. Het resultaat was, dat van in het begin voor de rechtbanken en gerechtshoven strijd is gevoerd om te weten aan welke verjaringstermijn de nieuwe heffing dan wel onderworpen was. Het antwoord luidde (vele jaren later) dat de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van toepassing was. Die bedroeg indertijd dertig jaar (vandaag is dat nog tien jaar). Dit betekent dat de nieuwe bijdrage, anders dan in het geval van gewone belastingen of sociale bijdragen, ongelooflijk lang zou kunnen worden in- en nagevorderd. Maar het Grondwettelijk Hof zet nu de puntjes op de 'i': de betreffende wetgeving is discriminerend doordat zij geen bijzondere verjaringstermijn voor de bijzondere bijdrage heeft vastgesteld. Waarom vandaag dit verhaal over de oude bijdrage? Omdat het leert dat belastingen die geen belastingen mogen heten, alleen maar voor narigheid en onzekerheid zorgen. In het geval van de bijzondere bijdrage komt pas nu - twintig jaar na de afschaffing ervan - definitief vast te staan, dat de betreffende wetgeving nergens naar leek. De regering-Van Rompuy staat voor de immense taak om een enorm gat in de schatkist te dichten. De verleiding zal groot zijn om ook nu terug te grijpen naar allerhande maatregelen die nieuwe heffingen moeten vermommen. De 'bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid' uit de jaren tachtig toont aan dat dit voorbeeld best niet wordt gevolgd. DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOG. Jan Van DyckDe nieuwe heffing werd als het ware weggemoffeld in de kelders van de RVA.