In het internationale kapitaalverkeer staan de Belgen bekend als financiers en renteniers, en niet als ondernemers of investeerders. En dat is behoorlijk knudde, want ons statuut van internationaal bankier remt de eigen groei af, groei die we de volgende generaties hard nodig zullen hebben om ook in een vergrijzende samenleving nog welvaartswinsten te kunnen boeken.
...

In het internationale kapitaalverkeer staan de Belgen bekend als financiers en renteniers, en niet als ondernemers of investeerders. En dat is behoorlijk knudde, want ons statuut van internationaal bankier remt de eigen groei af, groei die we de volgende generaties hard nodig zullen hebben om ook in een vergrijzende samenleving nog welvaartswinsten te kunnen boeken. Onze koffer geld waar we mee naar het buitenland trekken, wordt gevuld door ons nog altijd hoge handelsoverschot. We slijten nog altijd meer goederen en diensten aan het buitenland, dan we er invoeren. Het overschot daalt, maar bedraagt nog altijd 2,5 % van het bruto binnenlands product (bbp). Echt slim is dat Belgische mercantilisme niet. Ten eerste is het overschot een gevolg van behoorlijk spaarzame gezinnen, en de zwakke consumptie remt intussen ook de binnenlandse economie af. Ten tweede financieren we met dat overschot elders op de planeet groei en werkgelegenheid. We hadden die middelen net zo goed in de eigen economie kunnen investeren, ware het niet dat de hoge loonkosten, zware belastingdruk, of het verzadigde karakter van de economie pleiten voor opportuniteiten buiten de landsgrenzen. Het saldo op de handelsbalans meet daarom net zo goed het vertrouwen in de eigen economie als dat het een maatstaf is voor de concurrentiekracht. Maar kijk, het handelsoverschot is aan het dalen. Zet de champagne koel. De voorbije jaren durven de gezinnen weer iets meer uit te geven en dat heeft de bedrijven geïnspireerd om eindelijk opnieuw meer te investeren. De goederenbalans kreeg ook een tik precies omdat de bedrijven meer machines importeren en dus brood zien in extra productielijnen. Met dank ook aan de internationale hoogconjunctuur van de voorbije jaren en de lichte verbetering van het Belgische economische klimaat. Een ander lichtpunt is dat er een structurele verschuiving bezig is in hoe we dat handelsoverschot behalen: we doen dat steeds minder met goederen en steeds meer met diensten. Het overschot op de goederenbalans smelt dit jaar bijna helemaal weg, maar het overschot op diensten neemt toe. Dat is geruststellend. De industriële sokkel waarop de economie rust, wordt steeds smaller, maar ook met diensten kan een deel van onze import gefinancierd worden. En de export van diensten past ook beter in onze strategie om een kenniseconomie uit te bouwen. Wel is die export nog te veel gebouwd op logistiek en doorvoer, wat niet de sectoren zijn met de hoogste toegevoegde waarde en de minste overlast voor mens en milieu. Intussen moet de concurrentiekracht van de bedrijven, of ze nu goederen of diensten produceren, een blijvende zorg zijn. Die concurrentiekracht is niet af te meten aan de handelsbalans, maar wel aan de marktaandelen die de bedrijven op de buitenlandse markten weten in te palmen. De Belgische bedrijven wonnen vorig jaar weer wat marktaandeel, maar minder dan de buurlanden dat deden. De loonkosten bleven min of meer onder controle, maar de handicap van het verleden is nog altijd niet weggewerkt. De begroting zal wel weer in evenwicht raken, maar dat is te weinig en ook de kwaliteit van het saldo is slecht, want te veel gebaseerd op hoge uitgaven en te hoge belastingen. De champagne mag koel, maar nog niet open. (T) Door Daan Killemaes