Financiële leasecontracten bepalen dat de gebruiker of een derde de wagen kan aankopen aan het eind van de termijn - bijvoorbeeld na drie of vijf jaar - tegen een vooraf bepaalde prijs. De persoon die de optie licht - bijvoorbeeld de zaakvoerder - of aan wie de optie wordt toegekend, krijgt de wagen doorgaans voor een prijs onder de normale marktwaarde. Operationele leasingcontracten bevatten geen aankoopoptie.
...

Financiële leasecontracten bepalen dat de gebruiker of een derde de wagen kan aankopen aan het eind van de termijn - bijvoorbeeld na drie of vijf jaar - tegen een vooraf bepaalde prijs. De persoon die de optie licht - bijvoorbeeld de zaakvoerder - of aan wie de optie wordt toegekend, krijgt de wagen doorgaans voor een prijs onder de normale marktwaarde. Operationele leasingcontracten bevatten geen aankoopoptie. Als de zaakvoerder, de leasingnemer of een derde de wagen te goedkoop heeft verkregen, wil de fiscus hem belasten op dat voordeel. De belastingadministratie vraagt aan de leasingmaatschappij wie de optie van een financiële leasing heeft verkregen, en tegen welke prijs dat is gebeurd. Vervolgens berekent ze de marktwaarde van de wagen en voegt ze het verschil toe aan de belastbare inkomsten. Om de marktwaarde van de leasingwagen te bepalen, kan de fiscus zich baseren op de waarderingstabellen in de gespecialiseerde pers - zoals de AutoGids - of op Eurotax. Fiscaaltechnisch kan er sprake zijn van twee voordelen. Als de optie wordt gelicht door een bedrijfsleider of een werknemer die banden heeft met de vennootschap-leasingnemer, ontstaat er een voordeel van alle aard. Als de leasingnemer ze verleent aan een derde, gaat de fiscus ervan uit dat de leasingnemer een zogenoemd abnormaal en goedgunstig voordeel heeft verleend. Dat voordeel valt onder een specifiek belastingregime. Een voordeel is abnormaal als "het in strijd is met de normale gang van zaken, de regels en de gevestigde gebruiken of in strijd met wat in soortgelijke gevallen gebruikelijk is". Goedgunstige voordelen zijn "voordelen die worden verleend zonder dat zij de uitvoering van een verbintenis zijn of die worden verleend zonder enige tegenprestatie". Algemeen kan worden gesteld dat de verkrijger van het voordeel zich verrijkt zonder echte tegenprestatie. Denk bijvoorbeeld aan een renteloze lening die een vennootschap toekent aan een stille vennoot of aan een woning die ze verhuurt tegen een veel te lage prijs. De onderneming die zulke voordelen verleent, moet die bij haar belastbare winst voegen, tenzij de verkrijger op dat voordeel kan worden belast. De fiscus mag enkel controles doen bij financiële instellingen om hun cliënten correct te belasten. Het bankgeheim kan worden opgeheven als er aanwijzingen van belastingontduiking zijn, of als er een vermoeden is dat een klant van de bank bepaalde inkomsten niet heeft aangegeven. De gewestelijke directeur kan een inspecteur dan de opdracht geven om bij financiële instellingen de gegevens van die belastingplichtige op te vragen. Bij de Nationale Bank is een centraal aanspreekpunt (CAP) opgericht, dat een register van alle bankrekeningen en contracten aanlegt. Aan die database moeten de financiële instellingen de identiteit van hun klanten en de nummers van hun rekeningen en contracten melden. Ook als de belastingplichtige bij de fiscus een bezwaarschrift heeft ingediend, kan de controleur bij de bank vrij gemakkelijk inlichtingen inwinnen, voor zover die betrekking hebben op de behandeling van het bezwaarschrift. Het bankgeheim geldt enkel ten aanzien van banken, maar bijvoorbeeld niet ten aanzien van verzekeringsondernemingen, wisselagenten en beursvennootschappen. De fiscus kan bij een controle van die instellingen wel informatie verzamelen om cliënten te belasten. In 2007 oordeelde het Hof van Cassatie, het hoogste Belgische rechtscollege, dat leasingmaatschappijen kunnen worden beschouwd als kredietinstellingen en dus onder het bankgeheim vallen. Dat heeft tot gevolg dat de fiscus aan leasingmaatschappijen geen gegevens mag vragen over de identiteit van de persoon die aan het eind van een leasecontract een aankoopoptie heeft gelicht. In een nieuw arrest van 15 oktober 2015 voegde het hof enkele nuances toe. De zaak ging over een vennootschap die twee wagens met een aankoopoptie had geleased. Aan het eind van de termijn gaf de vennootschap-leasingnemer de opdracht aan de leasingmaatschappij om de optie over te dragen aan een derde, die met de vennootschap-leasingnemer niets te maken had. De fiscus vroeg aan de leasingmaatschappij aan wie ze de wagens had verkocht en tegen welke prijs. De bedoeling was de vennootschap-leasingnemer te belasten op het abnormale en goedgunstige voordeel. Voor de ene wagen bedroeg het verschil tussen de prijs die aan de leasingmaatschappij werd betaald en de reële marktwaarde van de wagens 21.000 euro, bij de andere 4700 euro. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het bankgeheim van toepassing is en dat de fiscus dus ten onrechte de inlichtingen had gekregen. Het is belangrijk wie de fiscus wil belasten. Gaat het om de vennootschap-leasingnemer - zoals hier het geval was, omdat het gaat om een abnormaal en goedgunstig voordeel - dan geldt het bankgeheim als de fiscus informatie wil opvragen bij de leasingmaatschappij. De belastingdienst moet dan eerst aan de vennootschap een zogenoemde vraag om inlichtingen sturen, om te achterhalen wie de optie heeft gelicht en tegen welke prijs. In die vraag moet de fiscus uitdrukkelijk meedelen dat het bankgeheim kan worden opgeheven als de vennootschap-leasingnemer niet antwoordt. De fiscus moet ook aanwijzingen van belastingontduiking hebben om het bankgeheim te doorbreken. Johan SteenackersDe fiscus mag enkel controles doen bij financiële instellingen om hun cliënten correct te belasten. Als de zaakvoerder, de leasingnemer of een derde de wagen te goedkoop heeft verkregen, wil de fiscus hem belasten op dat voordeel.