U betaalt met een kaart -- en binnenkort met uw smartphone. U leest de krant op uw tablet, waar ook ter wereld. U voert videoconferenties met de andere kant van onze planeet. Op Facebook vond u een oude liefde terug. Als er waar dan ook iets gebeurt, weet u het binnen de tien seconden. Nog nooit is de innovatie zo snel gegaan, en het einde lijkt maar niet in zicht te komen.
...

U betaalt met een kaart -- en binnenkort met uw smartphone. U leest de krant op uw tablet, waar ook ter wereld. U voert videoconferenties met de andere kant van onze planeet. Op Facebook vond u een oude liefde terug. Als er waar dan ook iets gebeurt, weet u het binnen de tien seconden. Nog nooit is de innovatie zo snel gegaan, en het einde lijkt maar niet in zicht te komen. Allemaal perceptie, zeggen de innovatiepessimisten. Vooral in de Verenigde Staten vinden nogal wat ingenieurs dat het einde van de vooruitgang eraan komt. Peter Thiel, een van de oprichters van de internetbetaaldienst PayPal, zegt dat innovatie in de Verenigde Staten "zogoed als dood is". Bovendien is een kleine maar groeiende groep van economen van oordeel dat de economische impact van de huidige innovaties behoorlijk tegenvalt. Sommigen denken dat de groeistilstand in de rijke wereld een gevolg is van een langdurige technologische stagnatie. Tyler Cowen, econoom aan de George Mason University, zegt dat achter de financiële crisis een diepere en meer verontrustende 'grote stilstand' schuilt. Dat zou verklaren waarom de groei van de reële inkomens en de werkgelegenheid in de rijke wereld al geruime tijd vertraagt en sinds 2000 nauwelijks toegenomen is (zie grafiek Inkomen stagneert). De motoren van de groei in de 20ste eeuw zijn uitgeput en de nieuwe technologie zou de economie niet op dezelfde manier kunnen stimuleren. Ondanks alle flatscreenpracht en breedbandkracht ziet het ernaar uit dat de wereld door zijn voorraad ideeën zit. De innovatiepessimisten halen steevast drie argumenten aan. Een eerste vinden ze in de groeistatistieken. De economen kennen twee soorten groei: 'extensief' en 'intensief'. Extensieve groei komt er door toevoeging van meer en/of betere arbeidskrachten, kapitaal en middelen. Denk aan de groei die landen kenden door meer vrouwen op de arbeidsmarkt te brengen of door het onderwijs te verbeteren. Dat soort groei, stelt Cowen vast, is ten prooi aan afnemende meeropbrengsten. De eerste toevoeging komt terecht waar ze het meest goed kan doen, de tiende waar ze het tiende grootste goed kan doen, enzovoort. Als dit de enige groei zou zijn, dan eindigen de inkomens uiteindelijk net boven het bestaansminimum. Intensieve groei komt van een beter gebruik van arbeidskrachten en middelen. Dat soort groei maakt een permanente verbetering van de inkomens en de welvaart mogelijk, zelfs als de bevolking krimpt. Economen noemen de motor achter deze groei 'technologie', ook al gaat het eveneens om zaken als betere wetten en regels. Het effect van 'technologie' op de economische groei is wat overblijft nadat het effect van zaken als arbeid, kapitaal en opleiding op het bbp uitgezuiverd werd. Momenteel is er nauwelijks intensieve groei. De opkomende markten doen het goed en dat blijft nog wel even zo, maar dat komt omdat ze volop profiteren van technologie die elders al lang gebruikt wordt. Zo'n motor heeft de rijke wereld niet, en dat is duidelijk te merken. Dat is allesbehalve uitzonderlijk. Gedurende het grootste deel van de geschiedenis groeide de algemene economische welvaart traag en aarzelend. Pas in de voorbije twee eeuwen kwam de groei echt op gang, eerst in Groot-Brittannië, Europa en Amerika en daarna ook elders. Tegen het midden van de 20ste eeuw groeide de reële output per capita in Amerika met een verschroeiende 2,5 procent per jaar, een tempo waarbij de productiviteit en de inkomens één keer in een generatie verdubbelen (zie grafiek Hoog tij). De steeds krachtiger en verfijnder machines die meer dan een eeuw lang opdoken, zijn een deel van de verklaring, net als de beschikbaarheid van fossiele brandstoffen. Maar sindsdien is het vet van de soep (zie grafiek Slechts één grote golf). Robert Gordon, een econoom aan de Northwestern University, beweert dat de voorbije twee eeuwen van economische groei eigenlijk alleen maar een gevolg zijn van 'één grote golf' van spectaculaire veranderingen, eerder dan een nieuw tijdperk van ononderbroken vooruitgang. Hij denkt dat de wereld opnieuw een periode van grotendeels extensieve groei tegemoet gaat. Gordon zegt dat de intensieve groei toe te schrijven was aan enkele fundamentele innovaties, zoals de mogelijkheid om energie op grote schaal aan te wenden, huizen te verwarmen, naar eender welke bestemming te reizen, te communiceren met iedereen,... Maar al die veranderingen zijn nu grotendeels doorgevoerd. Er komt allicht nog wel innovatie, maar die zal de wereld niet op dezelfde wijze veranderen als elektriciteit, verbrandingsmotoren, sanitair, chemie en de telefoon het hebben gedaan. Cowen kan zich nog wel grote technologische vooruitgang voorstellen, maar hij is net zo goed van oordeel dat innovatie niet meer voor het grijpen is. Het is veel moeilijker om terabytes aan genomische data om te zetten in medische innovaties dan om antibiotica te ontdekken en massaal te produceren. Het tweede argument van de pessimisten is het aantal innovaties. Cowen citeert interessant werk van Charles Jones, een econoom aan de universiteit van Stanford. In een paper uit 2002 bestudeerde Jones de bijdrage van verschillende groeifactoren aan het Amerikaanse inkomen per hoofd tijdens de periode 1950-1993. Zijn onderzoek wees uit dat zowat 80 procent van de inkomensgroei te danken was aan hogere scholing en meer 'onderzoeksintensiteit' (het aandeel van de actieve bevolking dat werkzaam is in ideeëngenererende sectoren). Vermits geen van beide factoren eindeloos kan blijven toenemen, is het waarschijnlijk dat de groei stokt, tenzij een nieuwe factor mee gaat spelen. De groei van het aantal mensen dat in onderzoek en ontwikkeling werkt, spreekt op het eerste gezicht het beeld van een minder vindingrijke economie tegen. 3 procent van de Amerikaanse bevolking werkt nu in O&O, dat is een derde meer dan in 1975. Maar Pierre Azoulay van MIT en Benjamin Jones van Northwestern University zeggen dat, hoewel er meer mensen in de research werken, ze minder goed werk verrichten. Zij schatten dat een doorsnee-O&O-medewerker in het Amerika van 1950 bijna zeven keer meer bijdroeg tot de 'totale factorproductiviteit' -- de bijdrage van technologie en innovatie aan de groei -- dan een onderzoeker in 2000. Een reden kan de 'kennislast' zijn: naarmate de wetenschap vordert, hebben specialisten steeds meer tijd nodig om 'alles' te weten te komen. Jones zegt dat tussen 1985 en 1997 de gemiddelde 'leeftijd bij de eerste innovatie' met een jaar gestegen is. Het derde argument is het eenvoudigste: het simpele aanvoelen. Het recente tempo van de vooruitgang lijkt traag vergeleken bij dat van het begin en het midden van de 20ste eeuw. Neem nu de keukens. In 1900 waren zelfs in de chicste huishoudens de keukens maar primitieve bedoeningen. Bederfbare waren werden fris gehouden in koelkasten die gevoed werden met ijsblokken die met paard en kar geleverd werden. De meeste gezinnen hadden geen elektriciteit of stromend water. Spoel nu snel door naar de jaren zeventig: zelfs de middenklasse in Amerika en Europa heeft keukens die uitgerust zijn met kookplaten en ovens op gas en elektriciteit, koelkasten, keukenrobots, microgolfovens en vaatwassers. Zap nog 40 jaar door en u ziet dat daar nauwelijks verandering in is gekomen. Er zijn wel meer gadgets en de digitale displays zijn alomtegenwoordig, maar koken gebeurt nog grotendeels op grootmoeders wijze. Of neem de snelheid. In de loop van de 19de eeuw werden de paarden en zeilboten vervangen door spoorwegen en stoomschepen. Verbrandingsmotoren en straalmotoren maakten het mogelijk steeds meer zaken steeds sneller te verplaatsen. Maar sinds de jaren zeventig is de mensheid aan het freewheelen. Rijden over de snelweg gaat nauwelijks sneller dan 50 jaar geleden en de files doen veel steden investeren in trams en fietsstroken. Het idee van supersonisch vervoer werd opgeborgen, net als de verovering van de ruimte. De geneeskunde is nog een voorbeeld. De levensverwachting schoot in de Verenigde Staten omhoog van 49 jaar bij de aanvang van de 20ste eeuw tot 74 jaar in 1980. In die periode werd een enorme technische vooruitgang geboekt. Sinds 2011 blijft de levensverwachting echter hangen op 78,7 jaar. Ondanks de honderden miljarden dollars die gespendeerd werden aan medisch onderzoek. De moleculaire geneeskunde heeft op verre na niet hetzelfde effect teweeggebracht als de verbetering van de sanitaire voorzieningen. Voor wie dacht dat de bomen tot in de hemel zouden groeien, is dat een afknapper. Op wie het geluk heeft te kunnen genieten van het beste dat de wereld te bieden heeft, kan het feit dat hij niet nog meer te bieden heeft ontgoochelend werken. Peter Thiel en zijn collega's van de durfkapitaalfirma Founders Fund verwoorden het als volgt: "We wilden vliegende auto's, maar we kregen 140 lettertekens." Een wereld waarin iedereen twittert, maar bijna niemand naar zijn werk vliegt, is een stuk minder indrukwekkend dan de toekomstbeelden waarvan we droomden. Technologische vooruitgang vereist niet dat àlle technologie vooruitgaat, maar wel dat de belangrijke technologie altijd vooruitgaat. Passagiersvliegtuigen zijn nauwelijks sneller geworden de jongste veertig jaar, maar computers dan weer wel, en hoe. Tenzij aangetoond kan worden dat vliegtuigen belangrijker zijn, is het gewoon een kwestie van smaak om te zeggen dat we er al dan niet op vooruit zijn gegaan. Gordon en Cowen minimaliseren het economische belang van recente innovaties. Als computers en het internet belangrijk waren voor de economie, dan zou dat uit de cijfers moeten blijken. En dat is niet zo. Al in 1987 stelde de groeitheoreticus Robert Solow de vraag waarom "het computertijdperk overal zichtbaar is, behalve in de productiviteitsstatistieken". Een opstoot van de productiviteitsgroei in het midden van de jaren negentig werd gezien als een teken dat de computers eindelijk zichtbaar werden. Maar die groei stokte, en sommigen denken dat we de voordelen van de informatietechnologie al grotendeels gehad hebben. Nadere analyse geeft evenwel reden tot optimisme. Het ziet ernaar uit dat de productiviteitsgroei in de jaren negentig enkel aangedreven werd door de sectoren die de eigenlijke computers en mobiele telefoons produceerden. De invloed op de productiviteit van mensen en ondernemingen die de nieuwe technologie kochten, lijkt ergens in de jaren 2000 begonnen te zijn, maar is misschien nog niet helemaal tot zijn recht gekomen. Onderzoek van Susanto Basu van Boston College en John Fernald van de Federal Reserve in San Francisco lijkt uit te wijzen dat er vijf tot vijftien jaar zit tussen investeringen in ICT en een verbetering van de productiviteit. Meestal duurt het zelfs nog veel langer voor een bepaalde technologie ten volle benut wordt. Innovatie en technologie worden vaak als onderling verwisselbaar beschouwd, maar zijn dat allesbehalve. Innovatie zijn nieuwe zaken die mensen leren te doen. Technologie is wat ze écht doen, en daar komt het in de economie vooral op aan. Stalen dozen en dieselmotoren bestaan al sinds het begin van vorige eeuw en hun combinatie op containerschepen gaat terug tot de jaren vijftig. Maar hun grote invloed als de ruggengraat van de wereldhandel volgde pas decennia later. Er zit ruwweg een eeuw tussen de eerste commerciële aanwendingen van James Watts stoommachine en de piek van de bijdrage van stoom aan de Britse groei. Gordon zelf stelt vast dat de innovaties uit het einde van de 19de eeuw de productiviteitsgroei aandreven tot in het begin van de jaren zeventig van de 20ste eeuw. De innovatie in de informatica staat ook nog maar in haar kinderschoenen. Ray Kurzweil, een pionier van de computerwetenschappen en een fan van exponentiële technologische extrapolatie, heeft het graag over "de tweede helft van het schaakbord". Hij verwijst daarmee naar de legende van de lichtgelovige koning die maar wat graag inging op het aanbod om een schuld te betalen in rijstkorrels: een op het eerste veld van het schaakbord, twee op het tweede, vier op het derde enz. Bij elk veld verdubbelt de inleg. Op de eerste rij is de schuld nog minuscuul. Maar één veld voor het einde van de zevende rij gaat het al om 500 miljoen ton, de jaarlijkse rijstproductie in de hele wereld. En dan volgt er nog een volledige rij. Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee van MIT maken van die beeldspraak gebruik in hun e-boek 'Race Against the Machine'. Volgens de wet van Moore verdubbelt het aantal berekeningen dat uit een stuk silicium kan gehaald worden om de achttien maanden. Als de capaciteit laag is, speelt een verdubbeling zo geen grote rol. Maar zodra ze van belang begint te zijn, wordt ze heel snel heel belangrijk. Op de tweede helft van het schaakbord brengt elke nieuwe stap in de innovatie een technologische opstoot teweeg die even krachtig is als alle voorgaande stappen bij elkaar. Als voorbeeld schuiven ze de zelfrijdende voertuigen naar voren. In 2004 loofde het Amerikaanse ministerie van Defensie 1 miljoen dollar uit aan wie een auto zonder chauffeur 240 km kon laten rijden. Geen enkele robot haalde het. In augustus 2012 deelde Google mee dat zijn vloot van autonome voertuigen zo'n half miljoen kilometer testritten had afgelegd, zonder ongeval. Een transportrevolutie die tien jaar geleden nog onmogelijk leek, kan nu werkelijkheid worden als we nog tien jaar wachten. Dat is nog maar het topje van de ijsberg. Computers beginnen stemmen te begrijpen. Videospelletjes worden door lichaamsbewegingen gestuurd -- een technologie die binnenkort ingang kan vinden in de bedrijfswereld. Met 3D-printen kunnen we complexe voorwerpen maken, en weldra ook menselijk weefsel en ander organisch materiaal. Misschien is het inderdaad wel zo dat tussen het begin van de jaren zeventig tot het midden van de jaren negentig de bijdrage van eerdere belangrijke innovaties uitgeput was, terwijl computers, biotechnologie, telecommunicatie en andere hedendaagse technologie nog een te klein onderdeel van de economie vormden om de algemene groei te beïnvloeden. Maar er zijn andere redenen om wel ongerust te zijn. Een groot deel van de economie is veel meer gereglementeerd dan een eeuw geleden. Milieubescherming heeft gezorgd voor schonere lucht en zuiverder water, die het leven van de mensen verbeteren. Dat wordt niet verrekend in het bbp, en in die zin wordt de vertraging van de vooruitgang in de jaren zeventig overschat. Maar dat zal dan wellicht ook gelden voor toekomstige technologische veranderingen. Slecht opgestelde regels kunnen bovendien de kostprijs van onderzoek nodeloos verhogen en innovatie ontmoedigen. Ook de rol van de overheid is veranderd. Technologiepessimisten verwijzen graag naar het Apollo-ruimteprogramma, toen de overheid niet alleen innovatie bevorderde, maar zelfs de vraag naar talent en uitvindingen in het leven riep. Thiel bekritiseert vaak de durfkapitalisten, omdat ze te weinig belangstelling hebben voor wereldschokkende ideeën. Sommigen vrezen paradoxaal genoeg dan weer dat de technologische vooruitgang té snel zal gaan. Nu al vinden laaggeschoolden nauwelijks nog een behoorlijk betaalde job. Verdere vooruitgang kan arbeidsplaatsen bedreigen die tot nog toe buiten schot bleven. Patroonherkenningssoftware, die duizenden juridische documenten scant op relevante passages, voert steeds beter de taken uit van beginnende advocaten. Algoritmen worden gebruikt om krantenartikels met sportuitslagen of financiële verslagen op te stellen. Mettertijd zullen allicht ook analyses mogelijk worden. Ook manuele taken zijn kwetsbaar. In Japan, waar arbeidskrachten om de ouder wordende bevolking te verzorgen schaars zijn, gaat de innovatie in de robotica met sprongen vooruit. De vergrijzing in de westerse landen zal die ontwikkeling alleen maar stimuleren. THE ECONOMISTOndanks alle flatscreenpracht en breedbandkracht ziet het ernaar uit dat de wereld door zijn voorraad ideeën zit. De innovatie in de informatica staat eigenlijk nog maar in haar kinderschoenen. Slecht opgestelde regels kunnen de kostprijs van onderzoek nodeloos verhogen en innovatie ontmoedigen.