De auteur is adjunct-directeur van de VEV-Studiedienst.
...

De auteur is adjunct-directeur van de VEV-Studiedienst. Zondag is het zover. Na weken van opiniepolls, stemtests en koersen op een heuse kiesmarkt vindt eindelijk de ultieme en enig relevante stemming plaats. Wie wordt de grootste partij in Vlaanderen: VLD of CD&V? Krijgt Agalev een zware dreun? Haalt N-VA de kiesdrempel? Wordt het kartel SP.A-Spirit de winnaar, met Steve Stevaert als stemmenkampioen? Zondag weten we het. Maar zijn we dan zoveel wijzer? Kiescampagnes in België lokken onnoemelijk veel media-aandacht. Op zich is dat geen slechte zaak, want verkiezingen zijn en blijven een uiterst belangrijk hoogtepunt in een democratie. Maar al die aandacht staat niet meteen borg voor een transparant keuzeproces gebaseerd op een doordachte afweging van diverse maatschappelijke belangen. Met de regeringsvorming die volgt achter de stembusslag is de transparantie vaak volledig zoek: er worden vaak onverwachte regeringscoalities gesmeed die niet steeds naadloos aansluiten bij de vox populi. Bracke & Crabbé. Een eerste stoorzender - letterlijk - is de verkleutering van het politieke gebeuren, iets waar bepaalde tv-programma's duchtig aan meewerken. Veel aandacht gaat naar de look, de aaibaarheidsfactor, het emo-gehalte, kortom de persoon van de kandidaten. Heel wat minder naar de beleidsprogramma's, de belangentegenstellingen, de machtsverhoudingen, de maatschappelijke keuzes, waar het eigenlijk toch om draait. In zo'n klimaat gedijt populisme welig. De rekening wordt later gepresenteerd. Populisme wordt eerder laat dan vroeg doorgeprikt. Al is er hoop: de show van Bracke & Crabbé haalt amper de helft van de kijkcijfers van het debatprogramma Kiesrecht, dat toch ten minste over een thema gaat. Aan de bron van de populisering - door sommigen verward met popularisering - van de politiek en de kiescampagne ligt een gebrek aan objectivering van het kiesdebat. Ondernemingen wordt meer dan ooit gevraagd om correct en regelmatig te rapporteren over hun resultaten, waarbij de onafhankelijke auditing van de rekeningen wordt aangescherpt. Maar de overheid? Die slaagt er niet in om juiste cijfers te geven over criminaliteit, tovert van de ene dag op de andere 170.000 bijkomende jobs door een statistische ingreep, en moet je niet vragen om een concreet cijfer over de omvang van de files. En aan de onafhankelijkheid van de audit van het regeringsrapport kan je twijfelen. De politieke invloed op statistische diensten als die van de Nationale Bank en het Planbureau blijft reëel. Rapporteurs van het Internationaal Monetair Fonds, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling of de Europese Unie zijn in het beste geval afhankelijk van nationale regeringsbronnen, in het slechtste geval worden ze gecensureerd. Dit gebrek aan objectivering is vooral schrijnend in de kiescampagne, wanneer partijen elkaar met 'hun' cijfers rond de oren slaan. Het is ook perfect mogelijk om de hemel op aarde te beloven en iedereen naar de mond te praten. De kans dat je daarop wordt gepakt, is beperkt. Een objectieve berekening van de kostprijs van alle beloftes wordt niet gemaakt. De berekeningen van de kostprijs van de verkiezingsprogramma's waarmee de studiediensten van het ACV enerzijds en van de VLD anderzijds uitpakten, mogen dan al verdienstelijke pogingen zijn, ze bevestigen alleen het beeld dat ieder zijn waarheid verkoopt. Alles op één hoop. Twee ingrepen kunnen het politieke keuzeproces objectiveren. Naar Nederlands voorbeeld zouden de kiesprogramma's best worden doorgelicht door een onafhankelijke instantie die de kostprijs en de effecten op lange termijn in kaart brengt. Daarnaast heeft de politiek nood aan een soort scorebord: een reeks parameters die de beleidsresultaten zo goed mogelijk meten en opvolgen. Vlaanderen is daar volop mee bezig, in het raam van de opvolging van het Pact van Vilvoorde. Daarbij is het uiteraard essentieel te kunnen beschikken over voldoende actuele en geloofwaardige cijfers. Een andere stoorzender in de kiesstrijd is de verwarring tussen het federale en regionale niveau, een Belgische ziekte zo oud als de regionalisering. De hoop van velen dat met de organisatie van aparte verkiezingen deze verwarring van de baan zou zijn, is ijdel gebleken. Maar daar hebben de politici in belangrijke mate zelf schuld aan. Ministers van de Vlaamse regering die opkomen voor een federaal mandaat (dat ze toch niet gaan opnemen), partijprogramma's die focussen op regionale thema's zoals onderwijs en innovatie... Alles wordt op één hoop gegooid. Nu is het wel zo dat federale en regionale bevoegdheden sterk met elkaar verbonden zijn, bijvoorbeeld inzake werkgelegenheid. Het is daarom ook zaak om meer homogene bevoegdheidspakketten te vormen, waarbij de regio de meest gepaste entiteit is. Een confederaal model waarin de regio's Vlaanderen en Wallonië de basisbevoegdheid hebben, maakt komaf met de huidige verwarring. Ten slotte blijft dit land kampen met één groot democratisch deficit als het op federale verkiezingen aankomt. Vlamingen en Franstaligen kiezen elk in hun gemeenschap, tussen hun partijen, zonder vat te hebben op de kiesresultaten in de andere gemeenschap. Na die twee aparte verkiezingen moet er wel een paritaire regering worden gevormd. En het verleden heeft genoegzaam geleerd dat dit er vaak toe leidt dat de ene gemeenschap zijn voorkeurcoalitie opdringt aan de andere. De Franstalige politieke tenoren, Louis Michel (MR) en Elio Di Rupo (PS), hebben dat zeer goed begrepen: hun actie om zich rechtstreeks te wenden tot het Vlaamse kiezerskorps is nooit eerder gezien. Het versterkt de indruk dat de federale coalitievorming steeds meer wordt uitgetekend door de Franstalige politieke klasse. Ook hier biedt een echt confederalisme een meer legitieme en democratische keuze voor de burgers. Het wordt tijd dat het wettelijke land, dat nog steeds uitgaat van de Belgische unie, zich aanpast aan het werkelijke land, met name een land met twee aparte maatschappelijke en politieke gemeenschappen. Jan Van DorenDat Franstalige politieke tenoren zoals Michel en Di Rupo zich rechtstreeks tot de Vlaamse kiezer wenden, versterkt de indruk dat de federale coalitievorming steeds meer wordt uitgetekend door de Franstalige politieke klasse.