De belle époque, de periode aan het begin van de twintigste eeuw voor de Eerste Wereldoorlog, is het economische finest hour van België. Sinds 1900 was de Belgische economie op jaarbasis met 3 procent gegroeid. De rest van Europa keek met verwondering naar het kleine land.
...

De belle époque, de periode aan het begin van de twintigste eeuw voor de Eerste Wereldoorlog, is het economische finest hour van België. Sinds 1900 was de Belgische economie op jaarbasis met 3 procent gegroeid. De rest van Europa keek met verwondering naar het kleine land. Net als vandaag kon België, als kleine open economie, het beste gedijen in een gunstige internationale economische omgeving. "De Belgische overheid wist al in de negentiende eeuw dat het onder meer dankzij de haven van Antwerpen voordeel kon halen uit vrijhandel. Neem daar nog het Waalse steenkoolbekken bij en België stond er in de loop van die eeuw goed voor", zegt Erik Buyst van de KU Leuven. Antwerpen was sinds 1912 de tweede grootste haven ter wereld, na New York, en liet Hamburg en Rotterdam achter zich. Het land telde 8700 kilometer spoorwegen, het dichtste net ter wereld. De steenkool- en staalindustrie bloeide. Amper 16 procent van de bevolking werkte in de landbouw, 65 procent in de industrie, voor die tijd een zeer ongewoon percentage. In de meeste Europese landen, Groot-Brittannië uitgezonderd, werkte bijna de helft nog in de landbouw. De relatief lage transport-, energie- en loonkosten hielden de Belgische bedrijven competitief. België was in 1914 de vijfde handelsnatie van de wereld. De Generale Maatschappij droeg de Belgische economie. "Het was een staat in de staat", stelt Buyst vast. "Ze beheerste veel industriële ondernemingen, ook beginnende non-ferrobedrijven." 100 jaar geleden flikkerden wel al economische alarmlichten. België teerde lang op oude sectoren als steenkool, textiel en staal. "Aan het einde van de negentiende eeuw moest België de rol wat lossen. Door zijn niet zo goed uitgebouwde onderwijssysteem kon België Duitsland, de opkomende industriemacht die zich op nieuwe sectoren wierp, niet volgen. We waren sterk in staal, maar veel minder in chemie en elektromechanica." "De Waalse steenkoolmijnen raakten uitgeput. De kosten voor de ontginning werden te hoog. België moest zelfs steenkool invoeren. Dat was dan weer goed nieuws voor de Antwerpse haven en heeft ook Vlaanderen goed gedaan. Steenkool was een bulkgoed, dat werd gecomprimeerd door cokesing. Je zag overal cokesfabrieken opduiken." Vlaanderen was toen geen economische woestijn, maar had een aantal moeilijke decennia achter de rug, legt Buyst uit. "Textiel bleef belangrijk in Oost- en West-Vlaanderen. De rurale textielindustrie was in de loop van de 19de eeuw weggeconcurreerd door de gemechaniseerde textielbedrijven. Aan het einde van de eeuw begon die gemechaniseerde textielindustrie behalve in Gent ook in Aalst of Lokeren aan te slaan." Stilaan begon ook Vlaanderen economisch te profiteren van de kolonie. Vlak voor de oorlog werd de ontginning van kopermijnen gestart, wat in het thuisland leidde tot de uitbouw van een non-ferro-industrie. Net als de andere Europese koloniale grootmachten was België een belangrijke investeerder in het buitenland. Belgische bedrijven bouwden de metro van Buenos Aires, de schatrijke familie Empain legde tramnetten aan in Caïro en stampte er de chique voorstad Heliopolis uit de grond. 77 Belgische ondernemingen waren actief in Rusland en investeerden er in 1913 473 miljoen frank (2,7 miljard euro geëxtrapoleerd naar vandaag). Ze hielpen steenkoolvelden te ontginnen, staalcomplexen neer te poten en het openbaar vervoer uit te bouwen. Toen kwam de oorlog en wilde Duitsland door het neutrale België naar Frankrijk trekken. Afgezien van de Westhoek werd het land vier jaar bezet en de Duitsers ontmantelden een belangrijk deel van de industrie. Vanaf 1919 was een heropbouw nodig en toen heeft België kansen gemist. "Al voor de oorlog hadden de Amerikaanse staalbedrijven een schaalvergroting doorgevoerd", zegt Buyst. "België had na de oorlog de kans hetzelfde te doen, op instigatie van figuren uit de Generale Maatschappij. Maar de staalbaronnen wilden hun oude fabrieken gewoon heropbouwen, zonder met concurrenten samen te werken. Toen heeft België de kans gemist een performante en concurrentiële staalindustrie op te bouwen." Ook de vooroorlogse buitenlandse investeringen waren grotendeels foetsie. "Na de oorlog gingen de Russische investeringen verloren door de nationaliseringen onder het communisme. Dat was een zware aderlating voor de Belgische burgerij. België is de oorlog economisch nooit te boven gekomen." ALAIN MOUTONBelgië is de oorlog economisch nooit te boven gekomen.