Zijn onze boeren schuldig aan de ondermaatse prestatie van de landbouw in Afrika? "De affiche en slogans Stop de verstikkende voedselexport naar het Zuiden van 11.11.11 geven de boodschap dat het allemaal de schuld is van het Noorden en van onze boeren," betreurt Ignace Coussement van de Boerenbond. "Onze campagne viseert niet de Vlaamse boeren, maar het internationale landbouwbeleid van de Europese Unie en de Wereldhandelsorganisatie," repliceert de koepel voor ontwikkelingssamenwerking. Professor Eric Tollens (KU Leuven), die vertrouwd is met de situatie van de boeren in heel wat landen van Afrika, vindt dat 11.11.11 er wellicht beter aan zou doen de schandelijke verwaarlozing van de landbouw door de machthebbers van Afrika aan te klagen. In zijn recente boek The Trouble with Africa treedt gewezen Wereldbankdirecteur Robert Calderisi Tollens bij: "Tussen 1970 en 1990 verloor Afrika de helft van zijn marktaandeel (voor landbouwproducten) aan andere ontwikkelingslanden. Omdat die landen (vooral uit Azië en Latijns-Amerika) goedkoper en efficiënter konden produceren. Zo verliest Afrika per jaar 70 miljard dollar aan inkomsten."
...

Zijn onze boeren schuldig aan de ondermaatse prestatie van de landbouw in Afrika? "De affiche en slogans Stop de verstikkende voedselexport naar het Zuiden van 11.11.11 geven de boodschap dat het allemaal de schuld is van het Noorden en van onze boeren," betreurt Ignace Coussement van de Boerenbond. "Onze campagne viseert niet de Vlaamse boeren, maar het internationale landbouwbeleid van de Europese Unie en de Wereldhandelsorganisatie," repliceert de koepel voor ontwikkelingssamenwerking. Professor Eric Tollens (KU Leuven), die vertrouwd is met de situatie van de boeren in heel wat landen van Afrika, vindt dat 11.11.11 er wellicht beter aan zou doen de schandelijke verwaarlozing van de landbouw door de machthebbers van Afrika aan te klagen. In zijn recente boek The Trouble with Africa treedt gewezen Wereldbankdirecteur Robert Calderisi Tollens bij: "Tussen 1970 en 1990 verloor Afrika de helft van zijn marktaandeel (voor landbouwproducten) aan andere ontwikkelingslanden. Omdat die landen (vooral uit Azië en Latijns-Amerika) goedkoper en efficiënter konden produceren. Zo verliest Afrika per jaar 70 miljard dollar aan inkomsten." 70 miljard dollar of 55 miljard euro, dat is nagenoeg hetzelfde bedrag dat de Amerikaanse econoom Jeffrey Sachs nodig acht aan jaarlijkse buitenlandse hulp uit de rijke landen om de extreme armoede en honger tegen 2015 uit de wereld te helpen. En de meeste armen leven op het verwaarloosde Afrikaanse platteland. "Bedenk dat Congo, volgens een studie van het Voedselagentschap van de Verenigde Naties FAO, gemakkelijk 700 miljoen inwoners kan voeden. Dat is tien keer zijn bevolking. Nochtans lijden gezinnen er honger." Het onderzoek van de FAO mag dan al twintig jaar oud zijn, volgens professor Tollens blijven de resultaten actueel. "In een optimaal scenario zou Congo, volgens de FAO, zelfs twee miljard mensen kunnen voeden. Als het zijn landbouwpotentieel ten volle zou ontwikkelen. Het is een kwestie van beleid. In de Congolese overgangsregering volgden de voorbije maanden zes ministers van Landbouw elkaar op. Voor de machthebbers weegt het platteland niet zwaar en dat is een drama in heel Afrika."Professor Tollens haalt er de recentste invoercijfers bij van de Congolese douane, die (het kan verbazen) vrij accuraat de reële import weergeeft. Wat blijkt? Congo voert uit de hele wereld zowat alle denkbare voedselvariëteiten in, van suiker en graan tot vlees en kippen (zie kader: Geen dumping). Tarwebloem uit zowel Europa als uit Afrikaanse buurlanden; rijst uit Dubai, België, Indonesië en Libanon; palmolie uit Maleisië en Indonesië. Het invoeren van suiker (ruim 60.000 ton per jaar) en van palmolie (52.000 ton) is een vrij recent fenomeen. Hoewel Congo een even grote suikerproducent zou kunnen zijn als Brazilië en het land in de jaren vijftig de belangrijkste producent ter wereld was van palmolie. 11.11.11 klaagt in zijn campagne dat soort voedselimporten aan en pleit voor (tijdelijke) afschermingsmaatregelen voor landbouwproductie in de armste ontwikkelingslanden. Voor Tollens ligt echter niet dáár de kern van het probleem: "Ze moeten eerst werk maken van een ernstig landbouwbeleid." De regering in Kinshasa, bijvoorbeeld, besteedt amper 2 % van de staatsbegroting aan landbouw. Hoewel Congo een extreem geval is van verwaarlozing van het eigen landbouwpotentieel, zijn alle landen van Afrika in hetzelfde bedje ziek. Ze geven gemiddeld 4 % uit aan landbouwontwikkeling. De meeste Aziatische landen, China en India bijvoorbeeld, besteden 10 % van hun begroting aan landbouw. In Afrika ten zuiden van de Sahara gebruiken boeren ongeveer negen kilo meststoffen per hectare, in Zuidoost-Azië is dat 142 kilo. Hoe rijker het land, hoe meer het zijn boeren koestert. Ruim 40 % van de Europese begroting gaat naar het gemeenschappelijke landbouwbeleid. Volgens recent onderzoek van het Internationaal Monetair Fonds krijgen boeren in de rijke landen door overheidssubsidies voor landbouwproducten een veelvoud van de wereldmarktprijs. In Japan tot vier keer meer (220 %) en meer dan het dubbele in de EU (129 %, voornamelijk via inkomenstoeslagen) en in de VS (111 %). Op termijn worden de uitvoersubsidies volledig drooggelegd en blijft alleen nog inkomenssteun over. Voor Eric Tollens is het Europese landbouwbeleid als schietschijf achterhaald. In het kader van de wereldhandelsgesprekken (WTO) besliste Europa de resterende voedselsubsidies voor export volledig af te bouwen. Voor graan, tarwe en gerst is dat al een feit, voor de overige landbouwproducten is het binnen vijf jaar zover. Exportrestituties op kippen en eieren bedragen nog een vijfde van tien jaar geleden. Het suikerbeleid is hervormd, zodat die subsidies over drie jaar wegvallen. Alleen voor melk- en zuivelproducten is het wellicht wachten tot 2015. Europese boeren krijgen voortaan financiële compensaties, ongeacht hun productie. Bij export zal alleen de wereldmarktprijs bepalend zijn. De Europese exportsteun is al geslonken van zo'n 20 miljard euro vijftien jaar geleden tot 3 à 4 miljard euro, met als gevolg dat voedselprijzen op de wereldmarkt licht stegen. Vooral de boom van de grondstoffenprijzen, de stijgende vraag uit China en de consumptie die overal toeneemt, zijn doorslaggevend. De prijs van rijst, tarwe en granen was nooit zo hoog. Ook de suikerprijs is fors gestegen. Tollens wijst op een verontrustend neveneffect, want door de stijgende vraag zijn de wereldvoedselvoorraden flink aan het slinken: "De wereldvoorraden aan tarwe zijn bijzonder klein, voor rijst zijn ze momenteel minder dan twee maanden, zodat het extra moeilijk dreigt te worden indien er bij de rijstoogsten iets verkeerd loopt. Voedselhulp wordt onbetaalbaar. Voor landen als Ethiopië en de Kaapverdische eilanden, die nu al leven van hulp, kan dat dramatische gevolgen hebben."Stefan Tangerman, directeur Voedsel, Landbouw en Visserijen bij de Organisatie voor Economische en Sociale Ontwikkeling (Oeso) in Parijs, wijst op het paradoxale effect van de liberalisering van landbouw in de rijke landen: "Men gaat ervan uit dat de afbouw van exportsubsidies in het voordeel is van de armste landen, maar nieuw onderzoek toont aan dat uitgerekend die groep het zwaarst getroffen wordt. Alleen grote landbouwproducenten als Brazilië profiteren ervan." De vijftig armste landen, meestal in Afrika, zijn netto-invoerders van landbouwproducten en dat aantal neemt jaar na jaar toe, zij betalen meer voor hun voedselimport. Daarom plande de Wereldhandelsorganisatie WTO in zijn Trade Integration Mechanism een aantal overgangsmaatregelen. Ignace Coussement van de Boerenbond vindt het niet onredelijk dat deze landen - maar dan wel tegen een achtergrond van degelijk bestuur - op eigen ritme hun landbouw liberaliseren. "Dat gebeurt ook," repliceert Tollens. "Ik ben verbaasd dat 11.11.11 niet weet dat heel wat ontwikkelingslanden tolmuren opwerpen. Nigeria heeft een invoerheffing van 120 % op rijst. Het probleem is dat tijdelijke beschermingsmaatregelen langer duren dan nodig. Thailand en Maleisië bewijzen dat men zijn landbouwontwikkeling ook zonder tolmuren op gang kan trekken."Tollens en Tangerman wijzen op correcties die nodig zijn om meer lokale productie te stimuleren: "Het afbouwen van allerlei hindernissen die het hun boeren bijzonder lastig maken, dát is nodig. Het afschaffen van talloze belastingen op landbouw zou al een hele ommekeer betekenen. Er zou in die landen meer overheidssteun moeten gaan naar landbouw. Voor onderzoek naar nieuwe zaad- en teeltvariëteiten, meststoffen, kleine irrigatieschema's, landbouwkredieten, transport en distributie-infrastructuur. Omdat dat allemaal niet gebeurt, zijn bijvoorbeeld in Congo westerse bedrijven verplicht zich te bevoorraden op de wereldmarkt. Het is voor een brouwerij gemakkelijker om suiker, maïs en rijst uit Europa te importeren dan het aan te voeren uit het binnenland."Oud-Wereldbankdirecteur Robert Calderisi ziet Afrika de 55 miljard euro die het jaarlijks verliest aan concurrenten uit Azië en Latijns-Amerika niet terugwinnen. Voor palmolie, rubber en zelfs koffie is Afrika al lang geen koploper meer. Cacao is het enige landbouwproduct waarin Afrika excelleert met 70 % van de wereldproductie, al ondermijnen wanbeleid en politieke onrust in Ivoorkust (goed voor 40 % van de wereldmarkt) ook die positie. De bananenkweek kán even efficiënt zijn als in Centraal-Amerika, de rijstproductie in West-Afrika steeg vorig jaar met 6 % (wat nog altijd 2 % onder het 8 % stijgende consumptieniveau blijft). Ook in katoen doet West-Afrika het goed. Succes van een aantal landen met nicheproducten - bananen, rijst, suiker, groenten en zelfs snijbloemen, een totaal nieuwe niche in Oost-Afrika - toont dat Afrika competitief kan zijn als het voorwaarden voor efficiënte landbouwexploitatie creëert. Zo ontpopte Kenia zich in enkele jaren tijd tot de grootse producent van snijbloemen na Nederland. Dat zijn voor 90 % buitenlandse bedrijven, maar het geeft aan dat er op zijn minst een gunstig investeringsklimaat aanwezig is. Vanuit Nairobi vertrekken dagelijks vliegtuigladingen verse rozen en anjers naar de veiling van Aalsmeer. Mali, Burkina Faso en Senegal volgen dit voorbeeld met groenten en fruit. Tollens: "Het is niet omdat de armste landen het zwaarst getroffen worden door liberaliseringsmaatregelen in Europa, dat die hervorming van het Europese landbouwbeleid moet stoppen, integendeel. Het wordt tijd dat Afrika zijn groene revolutie doormaakt. Er zal prioritair meer geïnvesteerd moeten worden in de opleiding van boeren, vlottere kredietverlening en betere technologie. Boeren vinden geen afzetmarkten bij gebrek aan wegeninfrastructuur en distributiekanalen voor hun producten. Dat soort knelpunten of negatief protectionisme - veel meer dan exportsubsidies die sowieso verdwijnen - verstikken de arme boeren in Afrika."Erik Bruyland