In 2005 vertoonde de Duitse economie voor het eerst in jaren enige tekenen van herstel en temperde op die manier de algemene verwachting van sombere tijden. Wordt 2006 het jaar waarin het politieke verhaal van het land voor een aangename verrassing zorgt?
...

In 2005 vertoonde de Duitse economie voor het eerst in jaren enige tekenen van herstel en temperde op die manier de algemene verwachting van sombere tijden. Wordt 2006 het jaar waarin het politieke verhaal van het land voor een aangename verrassing zorgt? Sinds 22 november 2005 is Angela Merkel (CDU) de nieuwe Duitse kanselier. Ze komt uit het oosten, is protestants en heeft geen kinderen. Helemaal het tegengestelde dus van de katholieke familievaders die totnogtoe de bovenhand hadden in het Duitse centrumrechts. De 51-jarige politica, meteen ook de jongste die de topfunctie bekleedt sinds de oorlog, verschilt ook sterk van haar voorganger Gerhard Schröder. Die beschikt over een groot politiek instinct en komt goed over op televisie, terwijl Merkel, een doctor in de natuurkunde, uiterst methodisch en nogal mediaschuw is. Als een zelfverklaarde liberale progressiste valt ze ten slotte ook op in het Duitse politieke landschap, dat structureel sociaal-democratisch is. Al die kenmerken staan evenwel in sterk contrast met het soort regering dat Merkel zal moeten leiden wegens de onbeslistheid van het Duitse electoraat, dat Schröder weliswaar wegstemde, maar tegelijk de oppositie geen duidelijke meerderheid gunde. De grote coalitie van 's lands grootste partijen, de CDU (die zelf al een coalitie vormt met de meer sociaalgezinde Beierse CSU) en de sociaaldemocraten van de SPD, werd voor het laatst uitgeprobeerd in de periode 1966-1969. Het was dan ook te voorspellen dat er heel wat pessimisme heerste over Merkels kansen om het lang vol te houden en over het feit of een dergelijke coalitie wel iets duurzaams tot stand kan brengen. Sommigen verwijzen daarbij naar de verwezenlijkingen van de vorige grote coalitie, die nogal gemengd waren: ze kreeg wel sommige dingen gedaan, maar over het algemeen koos ze voor de gemakkelijke politieke opties en dreef ze ontevreden kiezers in de armen van extremisten of zelfs helemaal weg van de parlementaire politiek. Anderen voeren dan weer aan dat CDU/CSU en SPD het alleen maar over het kleinste gemeen veelvoud eens zullen worden en vooral zullen trachten om zichzelf in een gunstiger positie te manoeuvreren met het oog op een volgende verkiezingsronde. Toch is het onwaarschijnlijk dat de tweede grote coalitie in het naoorlogse Duitsland meteen zal uitdraaien op een mislukking, zeker niet het eerste jaar. Dat heeft er in de eerste plaats mee te maken dat de nieuwe regering een aantal vaste politieke handen omvat. Aan de zijde van de SPD zijn dat vooral Franz Müntefering, de voorzitter van de partij, die minister van Arbeid en Sociale Zaken is, Peer Steinbrück, de voormalige eerste minister van Nordrhein-Westfalen, die de moeilijke portefeuille van Financiën beheert en Frank-Walter Steinmeier, de gewezen hoofdadviseur van Schröder, die op Buitenlandse Zaken komt. Aan CDU/CSU-kant is Edmund Stoiber, de ex-premier van Beieren, op Economische Zaken het meest prominente kabinetslid. Al die mensen hebben ervaring in het werken met de andere kant en het resultaat van hun samenwerking zal grotendeels bepalen wat de regering het eerst zal aanpakken als ze echt van start gaat in januari 2006. Steinbrück is medeauteur van een voorstel om te snoeien in de subsidies, wat nu goed van pas komt. Helemaal bovenaan de agenda staat het streven om de overheidsschuld van Duitsland beneden de grens van 3 % van het BBP te krijgen, de limiet die in het stabiliteits- en groeipact van de EU werd vastgelegd. Dat zal gebeuren aan de hand van een verhoging van de BTW-tarieven. In 2004 slaagden Müntefering en Stoiber er ei zo na in een herwerking van het Duits federaal systeem ineen te steken en we mogen dan ook verwachten dat dat een van de eerste hervormingen zal zijn. En in de lente van 2005 kwamen Schröder en Merkel al tot een akkoord om de vennootschapsbelasting te verminderen. Die komt er nu dus ook aan. Als dat allemaal vlot verloopt, is het niet uitgesloten dat de links-rechtse regering zich aan meer ambitieuze hervormingen zal wagen, zoals de vereenvoudiging van het duivels ingewikkeld belastingsysteem en de daarmee samenhangende financiële constructie, een ingewikkeld web van gelijkschakeling van belastinginkomsten en daaraan gekoppelde overheidsinvesteringen. Misschien durft de nieuwe regering het zelfs aan om de onderbuik van de NV Duitsland aan te vallen, het uitgebreide netwerk van vaak verborgen subsidies en bescherming die vooral de dienstensector van het land ervan weerhoudt om efficiënter te worden en nieuwe banen te scheppen. De grootste uitdaging voor de nieuwe regering zal er evenwel in bestaan om de Duitsers ervan te overtuigen dat ze behoefte hebben aan economische hervormingen en om hen daar vervolgens ook nog een goed gevoel bij te geven. Een meerderheid gelooft nog altijd dat dergelijke hervormingen alleen maar dienen om pijn te doen - en niet om de economie van het land zo efficiënt mogelijk te maken, zodat er geld vrijkomt voor de noodzakelijke investeringen in de toekomst (denk daarbij aan onderwijs, technologie en infrastructuur) en tegelijk toch een deel van het sociale evenwicht behouden blijft dat de Duitsers zo na aan het hart ligt. In zekere zin is de huidige Duitse regering, meer nog dan de eerste grote coalitie, gedoemd om te slagen. Als ze niet met resultaten over de brug komt, meer bepaald een hogere groei en lagere werkloosheid (die respectievelijk blijven vastzitten rond 1 % en 4,8 miljoen - cijfers die in 2006 waarschijnlijk weinig zullen veranderen) dan zullen bij de volgende algemene verkiezingen meer kiezers geneigd zijn om hun stem uit te brengen op kleinere en zelfs extremistische partijen. Het politieke landschap dat dan zal ontstaan, zal het doorvoeren van de aartsnoodzakelijke hervormingen nog moeilijker maken. Ludwig Siegele is redacteur voor The Economist. Ludwig Siegele