"De raden van bestuur van de Generale Maatschappij van België en van Tractebel (volle dochters van de Franse energiegroep Suez) hebben zich uitgesproken vóór een fusie van de juridische entiteiten. De fusie zal worden voorgelegd aan de buitengewone algemene vergaderingen, op 31 oktober 2003."
...

"De raden van bestuur van de Generale Maatschappij van België en van Tractebel (volle dochters van de Franse energiegroep Suez) hebben zich uitgesproken vóór een fusie van de juridische entiteiten. De fusie zal worden voorgelegd aan de buitengewone algemene vergaderingen, op 31 oktober 2003." Dit persbericht kondigt het einde aan van de 181-jarige "Oude Dame", wier leven vaak was verstrengeld met dat van België zelf. In de archieven van het Centrum voor Scriptophilie vonden we tien historische aandelen van de Generale die het belang van de onderneming voor de Belgische economie illustreren. De Algemene Maatschappij ter Begunstiging van de Volksvlijt werd in 1822 opgericht onder het gezag van Willem I, koning der Nederlanden. Het doel: de achtergestelde economie van de zuidelijke Nederlanden nieuw leven inblazen. Schaalvergroting was nu eenmaal nodig om de golven van de industriële revolutie op te vangen. Het kapitaal werd verdeeld onder 31.226,5 aandelen van 500 gulden, samen goed voor een astronomisch bedrag van 15,6 miljoen. Maar de lancering was geen onverdeeld succes: amper honderd gegoede Brusselaars schreven erop in. Daardoor bleef de koning zelf met meer dan 25.000 aandelen zitten, die hij natuurlijk niet allemaal cash kon betalen. Daarom moest ook een groot deel van het koninklijk patrimonium, waaronder het Zoniënwoud, worden ingebracht. Toch gaf de stichter de maatschappij van het begin een nationale roeping. Hij verleende de Generale zelfs het voorrecht bankbiljetten uit te geven en belastingen te innen, een situatie waarin pas in 1850 verandering kwam toen de Nationale Bank werd opgericht. Dit aandeel uit 1841 bewijst dat Willem I ook na de Belgische onafhankelijkheid grootaandeelhouder bleef. Ook na hem bleef de Generale goede contacten onderhouden met het koningshuis. Zo werd ook Leopold I, die slechts een kleine participatie genoot, meteen het privilege verleend om de gouverneur te kiezen. Dat privilege zou later uitgroeien tot een traditie. Een van de eerste zaken waarin de Generale investeerde, waren kanalen. In ons land ontbrak elke infrastructuur om de vruchten van de industriële revolutie te plukken. De Canal de Jonction de la Sambre à l'Oise werd speciaal opgericht, hoofdzakelijk met kapitaal van de Generale, om een kanaal te graven dat de Samber met de Oise zou verbinden. Op die manier kon de ontluikende mijnindustrie in Henegouwen haar Franse hinterland bevoorraden. Dit aandeel - met het Belgische en het Franse logo broederlijk naast elkaar - illustreert overigens de nauwe banden tussen beide landen. Dat Frankrijk toen een bevoorrechte partner was, is niet meer dan logisch. Met Nederland lag ons land na de revolutie nog steeds politiek in de clinch, Duitsland was niet makkelijk bereikbaar en bovendien spraken de Belgische kapitalisten vrijwel uitsluitend Frans, waardoor ze zich eerder verwant voelden met de cultuur van Molière. Dat de Société Générale na 181 jaar opgaat in het Franse Suez is dan ook historisch aannemelijk. Vanaf 1840 werd massaal geïnvesteerd in de Henegouwse en Luikse mijnindustrie, de eerste die op het continent tot volle wasdom kwam. Een van de grootste bedrijven was de Société Anonyme des Charbonnages du Levant du Flénu. Dit was een van de eerste bedrijven die met een NV-structuur werden opgericht. Ook die evolutie trok de Generale op gang, door kleine concessiehouders - die meestal slechts een beperkte exploitatie genoten - te groeperen. Op die manier kon er meer, sneller én goedkoper worden geproduceerd. De Waalse mijnindustrie begon snel te floreren. Vanaf 1870 ging het echter steil bergaf door de toenemende concurrentie met de nieuwe mijnen in Duitsland en Noord-Frankrijk en ook - toen al - door de hoge loonlasten. Anno 1880 ging ruim de helft van de kosten voor de mijnbouw op aan lonen. In een krampachtige poging om de crisis alsnog het hoofd te bieden, werden de reële lonen met 30 % ingekrompen. Deze maatschappij werd opgericht in 1876, toen de pragmatische Generale steeds meer begon te loeren in de richting van de spoorwegindustrie. Aanvankelijk vertoonde het Belgische spoorwegennet nochtans bitter weinig coherentie. In eerste instantie waren er vrijwel uitsluitend kleine privé-trajecten die de diverse mijnen met de kanalen verbonden. Later kwam de overheid echter op de proppen en bouwde met eigen kapitaal een volwaardig netwerk. De Generale had eerder al komaf gemaakt met de onderlinge concurrentie tussen de diverse privé-maatschappijen door ze samen te smeden tot enkele grote ondernemingen. Eén ervan was deze Wagons-Lits, een bedrijf dat zich vooral toelegde op het verzorgen van luxetreinen zoals de Orient Express. Toen Wagons-Lits rond de eeuwwisseling echter in de problemen kwam, wierp de Generale zich op als benevolente kapitaalverstrekker. Die houding typeert de Generale: eerst het entrepreneurschap vrijuit laten gedijen en pas ingrijpen wanneer de boel dreigt te ontsporen. Dat de directeuren van de Generale in deze periode opduiken in zowat alle bestuursraden van grote Belgische bedrijven, illustreert hun invloed op de Belgische economie. Op een bepaald moment was de totale waarde van de Generale groter dan het Belgische bruto nationaal product. Dit aandeel is een van de talloze voorbeelden van de manier waarop de Generale internationaal uitdijde. Het is bovendien een bewijs van haar interesse in de metaalindustrie, een vierde pijler waarin gretig werd geïnvesteerd. Aangezien Cockerill zich lange tijd stuurs bleef opstellen ten opzichte van de Generale, zag die zich verplicht vooral in de buitenlandse metaalindustrie te investeren. Na Frankrijk, Duitsland en Luxemburg volgde uiteindelijk zelfs Rusland, waar verschillende bedrijven uit de grond werden gestampt. Aan het einde van de negentiende eeuw werden bijna alle Russische tramlijnen aangelegd door bedrijven die voor een flink stuk op het kapitaal van de Generale dreven. Zelfs de mythische spoorlijn tussen Peking en Hankoe werd door hen aangelegd. Aan het Russische avontuur kwam in 1917 echter een bruusk einde toen de communisten er de macht grepen. Samen met André Dumont richtte de Generale begin twintigste eeuw een aantal mijnen op, waaronder de Charbonnage de Beeringen. Typisch voor deze Limburgse mijnen is dat ze totstandkwamen met kapitaal uit het zuiden van het land, waar de industriële welvaart veel eerder tot ontwikkeling gekomen was. Het zou de definitieve doodsteek voor de Waalse mijnindustrie betekenen, omdat de Limburgse kolen goedkoper - want minder diep - gewonnen konden worden en van betere kwaliteit bleken. Toch zou het Limburgse succesverhaal hooguit enkele generaties duren. Tegen de jaren zestig was de concurrentie met de lagelonenlanden niet meer vol te houden. De Generale vertrok met de noorderzon en de overheid probeerde de opengeslagen bressen alsnog te dichten. Tevergeefs. Begin jaren negentig ging de laatste Limburgse mijn dicht. Geen wonder dat de Generale nooit een uitgesproken sociaal imago heeft gehad. Doorgaans beperkte ze zich tot het tijdig inspelen op protestbewegingen, zoals snel wat spaarkassen voor de arbeiders oprichten wanneer onlusten dreigden. De eerste tien jaar bleef Belgisch Congo het privé-bezit van koning Leopold II. Tussen het orkestreren van een genocide door ging hij op zoek naar kapitaal om er spoorwegen aan te leggen. Aanvankelijk vertoonden geldschieters echter bitter weinig interesse. Ook de Generale beperkte zich in eerste instantie tot het symbolisch toestoppen van wat geld en strategisch de andere kant uitkijken. De apathie sloeg om in een heuse investeringsdrift toen er kostbare metalen werden ontdekt. Op een gegeven ogenblik was de Société Générale zelfs zo'n beetje de eigenaar van Belgisch Congo. Vreemd genoeg werd over dit koloniale verleden tot nog toe zedig gezwegen. De geschiedenis is nu eenmaal het privilege van degene die over voldoende kapitaal beschikt om feiten om te buigen tot opinies. Toen de metaalindustrie in België niet meer zo rendabel bleek, trok de Generale naar het buitenland. Zo nam ze grote participaties in het Luxemburgse Arbed, waardoor de Generale in zekere zin ook over de wieg van dochter Sidmar gebogen hing. Dat dit aandeel in Amerika werd uitgeschreven, hoeft overigens niet te verbazen. Tenslotte werd Arbed al opgericht in 1882 en groeide het gestaag uit tot een internationaal vertakte kolos met tienduizenden werknemers. Qua macht en aanzien waren de jaren twintig ongetwijfeld de piekjaren van de Generale. In die tijd vermocht zelfs de regering niets zonder haar fiat. Die reputatie had ze deels te danken aan het feit dat ze de economische infrastructuur ongeschonden door de Eerste Wereldoorlog had weten te loodsen. Weliswaar lag het front mijlenver van het economische epicentrum en onderhield de Generale van oudsher goede zakelijke contacten met de Duitsers. Dit aandeel is ook financieel-technisch interessant, omdat het de periode markeert waarin de merkwaardige opdeling tussen de kapitaalaandelen (met een vast rendement van 5 %) en de zogeheten reserves (aandelen afhankelijk van de winst) werd afgeschaft. Daarmee lag de Generale tevens aan de basis van het huidige speculatieve beursspel in België. Later kortweg Generale Bank, nog later Fortis. De Société Générale had altijd al een januskop gehad. Ze combineerde van het begin haar bankactiviteit met haar beleggingen in de industrie. Tegen dit fenomeen van 'gemengde banken' rees uit politieke hoek echter steeds meer protest vanwege de speculatieve risico's die eraan verbonden waren. In 1935 werden alle gemengde banken wereldwijd afgeschaft, waardoor de Generale definitief werd opgesplitst in een industriële participatieonderneming en de Generale Bank. Aanvankelijk bleven de twee nog nauwe banden met elkaar onderhouden. Na de Tweede Wereldoorlog maakte de Generale echter komaf met dit industriële nepotisme. Ze geloofde in het bevorderen van de onderlinge concurrentie tussen de verschillende bedrijven. Dit was precies de antithese van de successtrategie waarmee de Generale decennialang had gedweept. De noodzakelijke aanpassing aan een tendens in de wereldeconomie zou uiteindelijk haar stille ondergang inluiden. Gelukkig had ze tegen die tijd de Belgische economie vrijwel op haar eentje op de wereldkaart gezet. De Limburgse mijnen kwamen tot stand met kapitaal uit het zuiden van het land en betekenden de doodsteek voor de Waalse mijnindustrie. In de jaren twintig vermocht zelfs de regering niets zonder het fiat van de Generale.