De financiële markten schrikken zich met recht en reden een hoedje van de stevige vertraging van de Chinese economie. Een mondiale economie die nog stikt in de schulden, kan een nieuwe globale recessie missen als kiespijn. Het schuldenhuis heeft nog genoeg zwakke plekken. Denk aan de bedrijven uit groeilanden die zich te diep in de schulden hebben gestoken. Of kijk naar de energie-industrie die kreunt onder de lage olieprijzen.
...

De financiële markten schrikken zich met recht en reden een hoedje van de stevige vertraging van de Chinese economie. Een mondiale economie die nog stikt in de schulden, kan een nieuwe globale recessie missen als kiespijn. Het schuldenhuis heeft nog genoeg zwakke plekken. Denk aan de bedrijven uit groeilanden die zich te diep in de schulden hebben gestoken. Of kijk naar de energie-industrie die kreunt onder de lage olieprijzen. De scheurtjes in de muren worden zichtbaar. Zo zitten de risicopremies op rommelobligaties in de lift, wat vaak moeilijke tijden aankondigt. Ook alarmerend is dat de beurswaarde van heel wat grote internationale banken opnieuw tot onder de boekwaarde is gedaald. Dat betekent dat beleggers zware kredietverliezen verwachten. De angst sloeg vorige week ook over op de beurzen, die gegeven de pittige waarderingen, zeker in de VS, kwetsbaar zijn voor tegenslag. Na de Amerikaanse schuldencrisis in 2008 en de Europese in 2011, lijkt het nu aan China en de ontluikende markten om de rampentrilogie af te ronden. De vlam sloeg bij de start van het jaar in de pan toen bleek dat de Chinese industriële activiteit, ondanks hoop op licht beterschap, op de sukkel blijft. De dienstensector houdt wel stand, maar zo'n spreidstand tussen een slabakkende industrie en krachtige dienstensector is moeilijk vol te houden. Zal de industrie de diensten mee in het bad trekken, of sleurt de dienstensector de industrie uit het dal? Het wordt een spannend gevecht dat zal beslissen over een mondiale recessie of een frisse doorstart. Idem in de VS trouwens, waar de industrie ook begint te krimpen, maar waar de veel omvangrijkere en dus belangrijkere dienstensector rustig doorstoomt, getuige de forse jobcreatie van de voorbije maanden. Kijk daarbij niet te veel naar de capriolen van de Chinese beurs als indicator van de plaatselijke economie. Die beurs is weinig relevant voor de Chinese economie, en was door het regime kunstmatig de hoogte ingejaagd om de consumptie aan te zwengelen. De leegloop van deze zeepbel is daarom logisch en niet echt gevaarlijk. Schadelijker is de onhandige manier waarop de autoriteiten proberen de crash een halt toe te roepen. Dat voedt een gevoel dat de Chinese autoriteiten het beheer van de economie, die in een complexe transitie zit, niet de baas kunnen. Nu eens omhelzen ze het marktmechanisme, om even later grote staatsbedrijven te beschermen. De overcapaciteit in vooral de zware industrie is nochtans enkel op te lossen door een paar grote jongens over de kop te laten gaan, maar daar lijkt de communistische partij nog niet klaar voor. "Luid gedonder, maar weinig regendruppels", omschrijft een Chinees spreekwoord het beste de halfslachtige hervormingen. Niet de Chinese beurs maar de verdere devaluatie van de Chinese munt is de olifant in de kamer. Opnieuw heeft het regime het niet handig aangepakt. Toen de yuan eind november de status van reservemunt kreeg van het IMF, zagen de autoriteiten hun kans schoon om de yuan zachtjes af te waarderen. De voorbije jaren was de yuan in het spoor van de dollar fors in waarde gestegen, terwijl de verzwakte industrie de steun van een zwakkere munt best kan gebruiken. Het plan was de munt tegen de tweede helft van het jaar opnieuw wat hoger te sturen, als China de G20 ontvangt. Die strategie ontploft nu in het gezicht, en toont nog maar eens aan dat het Chinese regime geen besef heeft van de marktkrachten waarmee het denkt te kunnen spelen. Want ten eerste interpreteert de rest van de wereld deze devaluatiepolitiek als een signaal dat het met de Chinese economie slechter gaat dan de autoriteiten willen doen geloven. De mondiale olie- en grondstofprijzen zijn het kind van de rekening, stilaan tot wanhoop van grondstoffenexporterende landen en de energiebedrijven. De daling van de olieprijs gaat voor veel spelers te snel. Lagere olieprijzen zijn een bonus voor het Westen, maar de risico's lijken zich sneller te manifesteren via slechte kredieten en een aangetast banksysteem. Een te lage olieprijs als systeemrisico, wie had dat ooit gedacht? Ten tweede denken investeerders nu dat de yuan alleen maar kan dalen, wat een ernstige kapitaalvlucht uit China op gang heeft gebracht. De overheid moet de yuan nu zelfs ondersteunen door een deel van de omvangrijke dollarreserves in de strijd te gooien. Want een beetje devaluatie is goed, maar een te grote devaluatie zou een ramp zijn omdat China net als heel wat groeilanden heel wat schulden in dollar heeft gemaakt. Een te sterke dollar is om die reden een kopzorg voor de halve wereld, zeker als de Amerikaanse centrale bank straks een tweede keer de beleidsrente verhoogt. Kortom, het is hoog tijd dat China zijn zaakjes op orde krijgt, maar de onbeholpenheid van de jongste maanden is zorgwekkend. In februari begint in China het jaar van de aap. Hopelijk komt er geen te lelijke aap uit de mouw. DAAN KILLEMAESHet is hoog tijd dat China zijn zaakjes op orde krijgt, maar de onbeholpenheid van de jongste maanden is zorgwekkend.