Jakarta (Indonesië).
...

Jakarta (Indonesië).Ver van de country clubs, golfbanen en shopping malls blijven volksbuurten voor de meeste van de in het buitenland gestationeerde werknemers of expats onbekend terrein. "Door een gebrek aan inlevingsvermogen van de buitenlandse werkgevers krijgen jongeren uit de kampong amper de kans om over de handicap van hun sociale achtergrond heen te geraken. Het management is geneigd om hun vaardigheden te minimaliseren," vertelt Muhedin. Hij komt zelf uit een straatbende, werkte zich op tot bedrijfsmanager en ervoer dat ontluikend talent dat niet uit de chique wijken van de hoofdstad komt, bijna stelselmatig tegen een beklemmend glazen plafond aanbotst _ precies zoals vrouwen in een overwegend mannelijke, westerse bedrijfscultuur lang werden afgeremd. In de kampongs, waar na de financiële crisis van 1997 moskeeën _ en niet langer wolkenkrabbers _ als paddestoelen uit de grond rijzen, voeden gevoelens van onmacht de frustraties van duizenden jongeren. Van onder de glazen stolp boven wriemelende volksbuurten in en rond de miljoenenstad Jakarta, drijven oplopende emoties bij de televisiebeelden van luchtaanvallen op Afghanistan jonge werklozen naar de Amerikaanse ambassade. Nur Ahmad is één van hen. Hij kan onmogelijk rondkomen met de enkele plastic sandalen die hij te koop aanbiedt, sinds hij enkele maanden geleden ontgoocheld de deur bij zijn westerse werkgever dichtklapte. Elke expat kent dit fenomeen. Het gebeurt even vaak in China, India, Senegal of Brazilië dat werknemers afhaken, zonder zichtbare aanleiding of zonder dat ze de directie over de mogelijke oorzaken van hun ongenoegen hebben ingelicht. Ahmad sloot zich aan bij het radicale Front voor de Verdediging van de islam (in dit land van pragmatische en gematigde moslims vormen de heftige schreeuwers van het front een kleine maar niet te verwaarlozen minderheid). Wellicht bevond Muhedin zich in de slechtst denkbare uitgangspositie om zich de westerse bedrijfscultuur eigen te maken. Zijn onzekere klim uit de goot naar de zwartglazen kantoorkolossen in de zakenwijk van de Indonesische hoofdstad duurde tien jaar. Maar hij slaagde omdat hij een kans zag, ze voluit greep en is blijven doorbijten. Muhedin kreeg immers vertrouwen: een buitenlander pikte hem van de straat, financierde een taalcursus Engels, studies boekhouding, informatica en management en coachte hem al die jaren naar de top.Gaandeweg scherpte Muhedins zelfvertrouwen aan. Hij moest nochtans telkens opnieuw opboksen tegen vooroordelen uit het Bamboenetwerk _ de besloten, Chinese zakenkringen die de businesswereld van Zuidoost-Azië overheersen en waar ook de nieuwe elites uit Jakarta, Bandoeng, Surabaya of Medan aan vastklitten. Managementtheorieën die Muhedin op de academie had geleerd, bleken in de praktijk meer dan eens te botsen met een personeelsbeleid dat medewerkers van bescheiden komaf weinig of geen reële kansen biedt. "Gebrek aan respect vanwege expats, maar evenzeer van lokale medewerkers uit de betere kringen, komt hard aan omdat het sluimerende gevoelens van minderwaardigheid versterkt." Ook hij ziet vrienden om die reden afhaken en het gemopper in de kampongs aandikken. Hou je morgen nog van mij?"John Micklethwait en Adrian Wooldridge raken in hun boek A Future Perfect, The Challenge and Hidden Promise of Globalization deze gevoelige snaar aan onder de wat melige titel: Will you love me tomorrow?. En toch is het geen goedkope sentimentaliteit. Ze wijzen op de behoefte aan erkenning en waardering die onderhuids leeft bij het gros van de werknemers van westerse filialen in lagelonenlanden. Muhedin voelt perfect aan wat de auteurs bedoelen, maar de meeste expats staan er nauwelijks bij stil _ evenmin als een bankdirecteur in Brussel zich kan inleven in de sociale achtergrond van een Marokkaanse migrant. In de onlangs verschenen roman Expats van Max de Bruijn (uitgeverij Bert Bakker) over expatriates in de Indonesische hoofdstad, zegt een personage: "Nee, nee, ik heb geen Indonesische vrienden. Een paar goede collega's en die zijn allemaal minstens halfbloed Chinees." Een kennissenkring die zich beperkt tot gelijkgestemden uit het Bamboenetwerk is voor de meeste expats in Indonesië zowat de enige opening naar de plaatselijke bevolking. Wat feitelijk in niets afwijkt van hun collega-expats elders in de wereld, en trouwens ook niet van de Brusselse bankdirecteur. In India zullen expats zich bij voorkeur tot de brahmaanse bovenlagen wenden; in Oost-Europa gaan ze scheep met fervente bekeerlingen tot het kapitalisme, liefst met sterke wortels in de vroegere stalinistische structuren (zie kader: Een miljonairsgetto). En wie zich nog op het zwarte continent waagt, zal de kleptocraten van Afrika omhelzen. Mentaal sluiten deze categorieën het best aan bij de door de globalisering gesmede kosmopolitische wereldelite. En vanzelfsprekend zullen westerse bedrijven voor filialen in lagelonenlanden uit deze vijvers hun hoogste medewerkers en kaderleden vissen. Niet alleen zij. Tijdens een seminarie in Jakarta over "Efficiëntie en werkethiek bij lokale werknemers" gaf een Indonesische manager toe bij voorkeur buitenlandse experts aan te werven _ ook als hij Indonesiërs zou vinden met dezelfde kwalificaties. "Een buitenlander," argumenteerde hij, "biedt zekerheid dat hij de job naar behoren invult, met verantwoordelijkheidszin, toewijding en zonder dat ikzelf voortdurend de klok in het oog moet houden."Expats als opvoeders?De directeur van het Indonesian Institute for Management Development (IPMI) reageerde met een opiniestuk in The Jakarta Post: "Het is geen kwestie van expertise _ de meeste Indonesiërs zijn geschoold voor de job _ maar van een teleurstellende arbeidsethiek." Hij vond het een plicht voor westerse bedrijven om hun lokale werkgevers de vereiste arbeidsethiek bij te brengen. Daarop volgde in de Engelstalige kwaliteitskrant en op de website van de expatgemeenschap in Indonesië een zelden gezien debat over de attitude van buitenlanders tegenover hun personeel. Investeerders zijn er in de eerste plaats om winst te maken, was de hoofdteneur. Werkgelegenheid scheppen, de leefomstandigheden verbeteren, opvoeding en respect voor het milieu, bleken maar secundaire bekommernissen. Expats zijn volgens de respondenten dan ook geen missionarissen en niet noodzakelijk pedagogen. Het overbrengen van werkethiek is immers een cultureel bepaald proces waar generaties over heen gaan _ in de westerse wereld was het niet anders. Nog een markante vaststelling in de polemiek: de rechten van werknemers worden door buitenlandse investeerders door de band veel beter eerbiedigd dan in lokale bedrijven.Niettemin, werpen John Micklethwait en Adrian Wooldridge op, "hoeven onze westerse waarden en efficiency-aanpak geen botsing van beschavingen te veroorzaken, als we ons iets meer bewust zouden zijn van groeipijnen die in lagelonenlanden samengaan met aanpassingen aan onze (bedrijfs-)cultuur". In de praktijk wordt dit aspect, op de werkvloer en tot in de hoogste sferen, schromelijk onderschat door de kosmocraten van deze wereld. Onder deze noemer vatten de auteurs alle rond de wereld flitsende uitdragers van onze westerse kennis en kunde: de technocraten van het Internationaal Monetair Fonds, allerlei bedrijfsconsulenten en de doordeweekse expat. "Nochtans doen die hooggekwalificeerde experts hun job niet wanneer ze minder teruggeven dan wat ze eruit halen. Want zo ondermijnen kosmocraten het gastland en verkwanselen ze sympathie bij de bevolking. Anders dan alle vorige machtselites uit de geschiedenis, lijken de kosmocraten helemaal geen voeling meer te hebben met hun ondergeschikten." Onfaire behandelingElites mogen dan wel steeds meer kosmopolitisch zijn, "gewone" mensen zijn en blijven lokaal verankerd. De Indonesische manager die bij gelijke capaciteiten toch een buitenlander kiest, kan om louter bedrijfsefficiënte redenen gelijk hebben, maar volhardt in wat de Kameroense sociologe Axelle Kabou bestempelt als vendredisme intellectuel ( nvdr - refererend aan het meegaand gedrag van Robin Crusoës slaafje Vrijdag): wie het gemaakt heeft, trekt zich _ neerkijkend op "achtergebleven" delen van de bevolking _ op aan succesrijke buitenstaanders, die hij vlijtig naar de mond praat. In plaats van de hand te reiken aan nieuwkomers op de maatschappelijke ladder. Ook dit nouveaux riches-fenomeen is vrij universeel. En men zal terecht opmerken dat sociale revoluties in eerste instantie een verantwoordelijkheid is voor lokale elites, niet van expats. "Het gevaar zit 'm in de perceptie, de manier waarop men _ terecht of niet _ tegen ons aankijkt," zegt André Geerts, investeringsconsulent in Jakarta. En dat beeld is de country club, de golfbaan, de glitterende shopping mall, het onder één hoedje spelen met machthebbers die hun mensen onfair behandelen. Kortom: precies de beelden van Amerikaanse soaps op televisie (de eerste luxeaanwinst van de paupers) waarmee de opkomende elite zich vereenzelvigt en waar de kleine man zich in de volksbuurten en sloppenwijken aan vergaapt. Er zijn veel goede redenen waarom expats een zekere afstandelijkheid willen bewaren. Maar vanonder de glazen stolp over de kampong bekeken, wordt de ongenuanceerde, negatieve beeldvorming sterk uitvergroot. André Geerts: "Na 11 september en de oorlog in Afghanistan zouden expats zich ervan bewust moeten zijn dat omgaan met vreemde culturen heel wat meer vereist dan routineus naleven van mechanisch aangeleerde gedragscodes."Erik BruylandGebrek aan respect van expats scherpt het minderwaardigheidsgevoel van de lokale bevolking aan.Lokale inwoners denken bij 'expats' aan golfbanen, shopping malls... kortom, aan onder één hoedje spelen met de machthebbers.Vanuit de volkswijken wordt het negatieve beeld van buitenlanders makkelijk uitvergroot tot het niveau van een Amerikaanse soap.