De goede conjunctuurvooruitzichten van het Planbureau maskeren structurele economische zwaktes. Ik schrijf deze regels terwijl een golf van economisch optimisme door het nationale nieuws gaat. Het Federaal Planbureau kondigt in zijn nieuwe 'Economische vooruitzichten 2015-2020' een herneming van economische groei en banencreatie aan. Na alle kommer en kwel van de crisis, na alle onheilsvoorspellingen van permanente stagnatie, na zoveel litanieën over het failliet van het kapitalisme, zien we licht aan het einde van de tunnel. Een mens zou van minder optimistisch worden. En toch.
...

De goede conjunctuurvooruitzichten van het Planbureau maskeren structurele economische zwaktes. Ik schrijf deze regels terwijl een golf van economisch optimisme door het nationale nieuws gaat. Het Federaal Planbureau kondigt in zijn nieuwe 'Economische vooruitzichten 2015-2020' een herneming van economische groei en banencreatie aan. Na alle kommer en kwel van de crisis, na alle onheilsvoorspellingen van permanente stagnatie, na zoveel litanieën over het failliet van het kapitalisme, zien we licht aan het einde van de tunnel. Een mens zou van minder optimistisch worden. En toch. Ik wil de glazen bol van de planners niet in stukken gooien. Maar dat er mist in die bol zit, moge wel duidelijk zijn. Ondanks alle besparingsretoriek, ligt de Europese economie aan de doping van een drievoudige stimulus: lage olieprijzen, goedkope euro en nog goedkoper geld. Als er in die omstandigheden geen lichte groeiherneming komt, dan zouden we echt in zak en as zitten. Hoe zal het die massale stimulus, dat bijproduct van internationale of geopolitieke omwentelingen, de komende jaren vergaan? Wat gebeurt er tussen vandaag en 2020 in pakweg Rusland of het Midden-Oosten? Waar zal de euro dan nog staan? De groeiversnelling is mede te danken aan instabiliteit die even snel weer in groeivertraging kan omslaan. We mogen ook wel wat meer groeiambitie hebben dan de cijfers die iedereen nu al doen hopen. Een verwachte groei van om en bij 1,5 procent per jaar is een vierde minder dan de ongeveer 2 procent die we vóór de crisis gewoon waren, elk jaar opnieuw. 2 procent groei verdubbelt de gemiddelde levensstandaard elke 35 jaar; met 1,5 procent vergt dat 47 jaar. 1,5 procent groei is ook onvoldoende om de ijzeren grip van de vergrijzingskosten en het begrotingsherstel te breken. De pensioenkosten groeien met 4 procent per jaar, de wetenschappelijke en technologische vooruitgang in gezondheidszorg vergt navenant meer middelen en daarbovenop schuldafbouw realiseren vraagt ook nog eens marge. Achter de bescheiden rooskleurige cijfers zitten ook problematische trends die helaas niet verbeteren. De belangrijkste zijn de tanende productiviteitsgroei en de afkalvende industriële werkgelegenheid. Productiviteit is zowat de gezondheidsbarometer van de economie. Ze duidt de graad van economische vernieuwing -- de combinatie van innovatie, investering en ondernemerschap -- en de mate waarin groei ook hogere lonen kan geven. We zitten al enige tijd in een vertragingsscenario voor productiviteit. Het Planbureau ziet daarin geen verbetering. De lichte herneming van economische activiteit en werkgelegenheid zit dus vooral in sectoren met minder productiviteit en dus met minder hoge lonen. In de verwachte banengroei van 200.000 zitten bijvoorbeeld meer dan 80.000 jobs in de zorgsector. Dat zijn stuk voor stuk banen die belastinggeld vergen. We zijn dat gewoon in België: nagenoeg alle nettobanencreatie sinds 2008 betreft hier jobs met overheidssteun. Dat moet ons behoedzaam maken. De ene baan is de andere niet. Banen in de gesubsidieerde diensteneconomie wegen ook op de begroting. Jobcreatie wordt dan een budgettair probleem. Een andere vaststelling is dat de bevolking op arbeidsleeftijd nagenoeg tot stilstand komt in de komende jaren. Het invullen van nieuwe banen wordt dus meer afhankelijk van het benutten van de al bestaande arbeidsreserves. We zullen meer dan vroeger de loopbanen moeten kunnen verlengen en de niet-Europese immigranten aan het werk krijgen. Dat zal niet vanzelf gaan en het zal, zeker voor de tweede categorie, ook geld kosten. Als we talentschaarste en knelpunten willen vermijden, zullen we dus de handen aan de ploeg van het arbeidsmarktbeleid moeten slaan. Anders zal de voorspelde economische opleving zichzelf vastrijden. De voorspellingen van het Planbureau betekenen dus niet dat we als vanzelf door een nieuwe groeistroom zullen worden meegezogen. De stroom is nog altijd te traag en we roeien er nog altijd tegen in. Het glas is halfleeg. Meer is nodig, wenselijk en ook mogelijk, als we de komende jaren echt de structurele drijvers van welvaartscreatie verbeteren.De auteur is directeur van denktank Itinera en doceert aan de UGent. MARC DE VOSBanen in de gesubsidieerde diensteneconomie wegen ook op de begroting. Jobcreatie wordt dan een budgettair probleem.