De Oostenrijkse schrijfster Elfriede Jelinek (1946) woont afwisselend in Wenen en München, twee steden die zowat symbool staan voor alles wat ze veracht. Haar romans en toneelstukken zijn verbijsterende afrekeningen met de even benepen als schijnheilige biedermeierbehaaglijkheid. Vreemd genoeg verkiest de auteur Duitsland boven haar eigen moederland (bij een rücksichtslose feministe als Jelinek waag je het niet over vaderland te spreken). In interviews legt ze uit dat Duitsland tenminste een Entnazifizierung doorgesp...

De Oostenrijkse schrijfster Elfriede Jelinek (1946) woont afwisselend in Wenen en München, twee steden die zowat symbool staan voor alles wat ze veracht. Haar romans en toneelstukken zijn verbijsterende afrekeningen met de even benepen als schijnheilige biedermeierbehaaglijkheid. Vreemd genoeg verkiest de auteur Duitsland boven haar eigen moederland (bij een rücksichtslose feministe als Jelinek waag je het niet over vaderland te spreken). In interviews legt ze uit dat Duitsland tenminste een Entnazifizierung doorgesparteld heeft. In Oostenrijk daarentegen kroop het nazidom ook na de Tweede Wereldoorlog in de maatschappelijke mortel. In Jelineks zwartgeblakerde wereldbeeld dringt het nazicement niet alleen diep door in de bekrompen gezinnetjes rond Wenen of op de Tiroler bergflanken, maar ook in de elite, die zowel de politieke, kerkelijke, economische als culturele touwtjes stevig in handen heeft. De frisse Alpenweiden ruiken muf en onder de maatpakken van goedlachse politici schuilen norse bruine uniformen. Als u Jelinek leest, beseft u ook zeer scherp waarom een vooruitstrevende manager-kunstexpert als Gerard Mortier zoveel tegenwind ontvangt als intendant van de Salzburger Festspiele. Jelineks vader was een Oost-Europese jood uit Tsjecho-Slowakije. Haar pessimisme, maar even goed haar zwarte humor en haar vlijmscherpe satire schrijft ze toe aan die Slavisch-joodse traditie in de sporen van een auteur als Franz Kafka. Haar vader stierf krankzinnig en haar opvoeding werd volledig door haar moeder geregeld, die haar volstopte met kunst. Elfriede was een muzikaal wonderkind. Ze speelde viool op haar achtste, piano op haar dertiende en leerde ondertussen componeren aan het Weense conservatorium. Maar op haar achttiende kreeg ze een diepe psychische inzinking. Nadien stortte ze zich op het schrijven, met eigengereide romans, gedichten en theaterstukken waarin monsterlijke moeders, verraderlijke macho's en een waanzinnige hoeveelheid snot, slijm, seks en sado-masochisme de goegemeente shockeren. Hier werd ze berucht met De pianiste (1983) en Lust (1990). Haar reputatie overtreft ze nu met De kinderen van de doden (in het Duits verschenen in 1995). De vertaling moet een beproeving geweest zijn. Meer dan ooit past Jelinek een écriture automatique toe met vervormde zinnen, opeengestapelde woordspelingen en verwijzingen naar zowel klassieke kunst als tv-soaps en reclame. Jelinek lezen is een avontuur, waarbij je moet toelaten dat ze je afstoot en aantrekt, plaagt en verbaast. In De kinderen van de doden teisteren levende doden Oostenrijk, ook al een verwijzing naar het onverwerkte verleden. Finaal blijkt zelfs de kitscherige toeristenfuik Alpenrose een gedeukte metafoor voor een nazikamp. Haat en hypocrisie wedijveren om de aandacht. Jelinek-lezers moeten kunnen incasseren. Querido, 577 blz., 1300 fr. ISBN 90 214 6888 3. LUC DE DECKER