Lees dit boek nooit. Plaats Finnegans Wake ook niet in uw mahoniehouten bibliotheek, hoe hevig de verleiding ook mag zijn. Ongetwijfeld behoort dit eigengereide taalexploot tot de absolute wereldtop van boeken die parmantig vooraan op het rek prijken, maar die nooit geopend zijn. Laat het echter geen stof vergaren op de plank, maar leg het op uw nachtkastje. Niet alleen omdat dat zoveel chiquer staat dan een beduimelde Penthouse, maar omdat het wellicht de handigste plek is om dit als onleesbaar geboekstaafde werk mondjesmaat te proeven. Liefhebbers van literaire uitdagingen wezen echter gewaarschuwd: ervan proeven kan verslavend werken. Bovendien dreigt u al gauw ook tal van andere boeken en naslagwerken erbij te sleuren, waardoor uw nachtkastje dan toch nog het uitzicht van een verkreukelde toren van Babel krijgt.
...

Lees dit boek nooit. Plaats Finnegans Wake ook niet in uw mahoniehouten bibliotheek, hoe hevig de verleiding ook mag zijn. Ongetwijfeld behoort dit eigengereide taalexploot tot de absolute wereldtop van boeken die parmantig vooraan op het rek prijken, maar die nooit geopend zijn. Laat het echter geen stof vergaren op de plank, maar leg het op uw nachtkastje. Niet alleen omdat dat zoveel chiquer staat dan een beduimelde Penthouse, maar omdat het wellicht de handigste plek is om dit als onleesbaar geboekstaafde werk mondjesmaat te proeven. Liefhebbers van literaire uitdagingen wezen echter gewaarschuwd: ervan proeven kan verslavend werken. Bovendien dreigt u al gauw ook tal van andere boeken en naslagwerken erbij te sleuren, waardoor uw nachtkastje dan toch nog het uitzicht van een verkreukelde toren van Babel krijgt. Dat nachtkastje, of beter nog het bed, staat in zekere zin ook centraal in het boek, al kan het zowel om de rustplaats van een dode als om het getormenteerde oord van een woelende dromer gaan. De Ierse schrijver James Joyce (1882-1941) geeft de wake uit zijn sibillijnse titel immers vrij voor verschillende interpretaties. Daarmee is de toon gezet. In zowat elke zin heeft de auteur diverse betekenissen en referenties geperst, waardoor hij het verhaal - dat her en der heel even de kop opsteekt boven deze turbulente oceaan van verwijzingen en interpretaties - verstoppertje laat spelen met de lezer. Nu en dan denkt u beslist dat u de sleutel gevonden hebt, dat de lijn zichtbaar wordt, om dan weer te moeten verzuchten dat lijnen nu eenmaal verborgen blijven. Zeventien jaar heeft Joyce aan zijn magnum opus gelabeurd. Een ontzettend lange tijd, maar hij grapte dan ook dat hij de critici 300 jaar wilde bezighouden. Hij heeft alvast de prille veertigers Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet zeven jaar doen zwoegen aan een Nederlandse vertaling. De erfgenamen hebben de uitgever verplicht de originele Engelse versie en de vertaling blad na blad af te drukken, wat we alleen maar kunnen toejuichen. Zo kunnen we het onmogelijk geachte herculeswerk meteen ook toetsen. Grinnikende Ier. Al heeft Joyce zijn verbaal regenwoud dan aaneengevlochten met de lianen van de basisvragen van de filosofie (de levenszin en de sterfelijkheid, weet-u-wel), het valt op dat de vertalers er zich met hun machete geen droogstoppelig pad door gehakt hebben. Maar ook met hun talloze kwinkslagen blijven ze Joyce trouw. Ze hebben de grinnikende auteur ontdekt, die al die complexe uiteenzettingen ginnegappend terugbrengt tot hun essentie. Uiteindelijk worstelen zowel de peuter, de puber als de volwassene immers met dezelfde even simpele als lastige vragen. Ze weerklinken even goed in de Griekse mythologie, in de bijbel en in de sprookjes als in de evangelies van de theologen, filosofen en ideologen. Joyce verwijst dan ook onophoudelijk naar al die Grote Verhalen, maar evenzeer naar populaire deuntjes en alledaagse beslommeringen. Het verhevene en het ordinaire, Bach en Ierse pubsongs - alles stroomt samen in dezelfde draaikolk die het leven heet. Die draaikolk met zijn toevallige begin en zijn even onbekende als onherroepelijke einde heeft de Ier willen vatten in zijn speelse symfonie. Niet toevallig wordt het gecanoniseerde Finnegans Wake dan ook met bijbelse overdrijving het boek der boeken genoemd. Alleen blijkt dit boek bij nader inzien veel minder verheven dan we misschien graag zouden horen. Het gaat dan ook gewoon om leven en dood. In Dublin. Een sleutel om het boek binnen te gaan, vinden we bij een Iers volkslied over een timmerman die van zijn ladder dondert en dood is. Tijdens de wake vloeit de whisky rijkelijk en komt de man weer tot leven. De cirkel van leven en dood treedt in vele gedaanten op. Een andere sleutel om dit boek te openen, ligt evenwel in de taal an sich. Joyce speelt, zij het niet loos. In dat spel barsten woorden en frasen uiteen in diverse betekenissen. Zo toont Joyce de rijkdom, maar ook het verraderlijke van taal. Ondertussen vertakken al die betekenissen zich naar even zovele verhalen. Terwijl hij bij een paar vage personages in Dublin blijft, spat het verhalende decor uiteen in alle windrichtingen. Welke interpretatie of toegang tot het boek u ook kiest, ze wordt vrijwel onontkoombaar fel tegengesproken door een van de honderden leesclubs die zich wereldwijd hardnekkig in deze veelsporige roman vastbijten. Als er één boek meer verklaringen verzamelt, dan is het wel dat andere meesterwerk van Joyce, Ulysses (1922), waar we tenminste nog de stappen van een paar personages kunnen volgen op donderdag 16 juni 1904 in Dublin. In Finnegans Wake overheerst de chaos, al wordt die wel weer in een nagenoeg mythisch Dublin gesitueerd. Whisky en het koppige Guinness-bier lijken nooit ver weg. Luc De Decker [{ssquf}]James Joyce, Finnegans Wake. Athenaeum/P&VG, 628 blz. (dubbel genummerd, aangevuld met noten), 75 euro.Zeventien jaar heeft Joyce aan zijn magnum opus gelabeurd, maar hij grapte dan ook dat hij de critici 300 jaar wilde bezighouden.