De commissie voor de pensioenhervorming 2020-2040 onder leiding van Frank Vandenbroucke zette enkele weken geleden het land in rep en roer. Een van de voorstellen die bij velen in het verkeerde keelgat schoot, was een "progressieve" belasting van het aanvullende pensioen "naargelang de omvang van de kapitalen". Het gaat over het kapitaal dat u via de werkgever opbouwt in een groepsverzekering of in een pensioenfonds, beter bekend als de tweede pijler van het pensioen.
...

De commissie voor de pensioenhervorming 2020-2040 onder leiding van Frank Vandenbroucke zette enkele weken geleden het land in rep en roer. Een van de voorstellen die bij velen in het verkeerde keelgat schoot, was een "progressieve" belasting van het aanvullende pensioen "naargelang de omvang van de kapitalen". Het gaat over het kapitaal dat u via de werkgever opbouwt in een groepsverzekering of in een pensioenfonds, beter bekend als de tweede pijler van het pensioen. Volgens Philippe Colle, gedelegeerd bestuurder van de sectorfederatie van de verzekeraars Assuralia, brengt die progressieve belasting de democratisering van de tweede pijler in gevaar. "Het is een contractbreuk tegenover de 50.000 werkgevers en 2 miljoen werknemers die vandaag een aanvullend pensioen opbouwen. Het creëert wantrouwen, waardoor werkgevers en werknemers minder geneigd zullen zijn nog aanvullende pensioenen af te sluiten of te verhogen." Ongeveer 70 procent van de werknemers heeft vandaag toegang tot de tweede pijler van het pensioen. Dat is bijna dubbel zoveel als tien jaar geleden. De wet op de aanvullende pensioenen, ook wel bekend als de wet-Vandenbroucke, zorgde voor een stevige boost. De gestorte premies zijn wel niet altijd even hoog. In heel wat sectoren wordt er nog maar een half tot anderhalf procent van het loon gestort in de groepsverzekering of het pensioenfonds. "In België bedraagt het gemiddelde brutojaarloon 35.000 euro", zegt Colle. "Het wettelijke pensioen komt neer op 40 procent van dat loon. Als je die vervangingsratio via het aanvullend pensioen wil verhogen tot 60 procent van het brutojaarloon, dan moet je de premies voor de groepsverzekering optrekken tot 6 à 7 procent van het loon." De commissie stelt in haar rapport voor een percentage van de reële loonstijgingen aan te wenden voor stortingen in aanvullende pensioenplannen tot in elke sector de premies ten minste 3 procent van het loon bedragen. Colle is daar blij om, maar voegt eraan toe dat het eigenlijk niet voldoende is. In het rapport van de commissie stonden nog bedenkingen over het aanvullende pensioen, die echter verloren gingen in het geroezemoes. Zo waarschuwde het rapport ook voor een te grote concentratie van pensioengeld bij enkele verzekeraars en te veel beleggingen in Belgisch staatspapier. Belgische overheidsobligaties brengen al lang niet meer genoeg op om de minimumrendementsgarantie te betalen die de wet-Vandenbroucke sinds 2003 oplegt. Die garantie bedraagt 3,25 procent op de werkgeversbijdrage en 3,75 procent op de werknemersbijdrage, terwijl de Belgische rente op dertig jaar nog amper 2,8 procent bedraagt. De commissie noemt de rendementsgarantie "cruciaal" voor het vertrouwen van de werknemers, maar vraagt zich hardop af of de garantie niet te hoog ligt. "Een rendementsgarantie die te hoog is in vergelijking met de reële rendementen die op lange termijn kunnen behaald worden, zou het vertrouwen van de werkgevers in de ontwikkeling van aanvullende pensioenen ondermijnen", staat te lezen in het rapport. De werkgevers staan garant voor het minimumrendement. Zij moeten zowel in een groepsverzekering als in een pensioenfonds geld bijstorten wanneer er tekorten dreigen. Bij de pensioenfondsen moesten heel wat werkgevers in de buidel tasten na de beurscrisis in 2008-2009. Bij de groepsverzekeringen dreigen er vandaag tekorten, door de lage rente. De verzekeraars waarschuwden twee jaar geleden al dat het gewaarborgde minimumrendement omlaag moest. De wetgever had er op dat moment geen oren naar. Steeds meer verzekeraars verlaagden de voorbije twee jaar hun gegarandeerde rente tot om en bij 2 procent. Het wettelijke minimumrendement van 3,25 en 3,75 procent dreigt stilaan een tikkende tijdbom voor de ondernemingen te worden. Heel wat werkgevers zijn zich ervan bewust dat ze wat geld opzij moeten zetten om de minimumrendementen betaalbaar te houden. "Alle ondernemingen hebben vorig jaar een brief gekregen van hun verzekeraar met de vraag geld bij te storten. Die extra bijdragen kosten de werkgevers bijna 2 procent van de totale loonmassa", zegt Gabriël Delporte, secretaris-generaal van de Confederatie Bouw. "Het gaat enkel om de bedienden in de bouwsector, want het aanvullende pensioen van de arbeiders is georganiseerd in het pensioenfonds Pensio B. Dat haalt voorlopig wel voldoende rendement om de waarborgen te dekken." Een gelijkaardig verhaal klinkt bij Agoria, de sectorfederatie van de bedrijven in de technologische industrie. "Wij hebben in de cao laten vastleggen dat een klein deeltje van de werkgeversbijdragen van in totaal 1,97 procent van het loon in een soort reservefonds terechtkomt", legt Fritz Potemans van Agoria uit. "Concreet komt 0,17 procent in het reservefonds. De overige 1,8 procent wordt rechtstreeks in de groepsverzekering van de bedienden gestort. Het reservefonds dient om het verschil in rendement bij te passen voor de werknemers die vandaag het fonds verlaten. Jaarlijks bekijken we wat er overblijft en dat vloeit terug naar de werknemers. Voorlopig volstaat dit om de gaten te vullen. Het probleem zal de komende jaren echter exponentieel aangroeien als de rente zo laag blijft." "Op middellange en lange termijn kan dit leiden tot een ernstige ontsporing van de loonkosten", waarschuwt ook Chris Moris, directeur van de federatie van de voedingsindustrie Fevia. De overgrote meerderheid van de arbeiders en een groot deel van de bedienden in de voedingssector is aangesloten bij het pensioenplan van de sector. De voedingssector kon bij AG Insurance nog tot eind 2015 een gewaarborgde rente van 3,25 procent bedingen, op voorwaarde dat de bedrijven tegelijk een buffer opbouwen voor de daaropvolgende jaren. Fevia is niet de enige grote klant van AG Insurance met zo'n gunsttarief. De verzekeraar verlaagde ongeveer twee jaar geleden als eerste zijn gegarandeerde rendement voor de groepsverzekering naar 2,25 procent. De grote klanten kregen bijna allemaal dezelfde oplossing als Fevia aangeboden. Bij pensioenplannen voor een hele sector of bij grote multinationals dragen vele schouders de last. De vraag is echter hoe lang de groepsverzekering nog betaalbaar is voor de vele kmo's in ons land. Assuralia pleit al langer voor een variabel minimumrendement, afhankelijk van de marktsituatie. De sectorfederatie vindt de rente op dertig jaar overigens een slechte referentie, omdat er amper handel is in die obligaties. De sectorfederatie denkt eerder aan een link met tienjarig Belgisch staatspapier of een korf van staatspapier. Ook Delporte denkt dat het beter is de minimumrendementsgarantie te enten op de Belgische lange rente. Voor de werknemers betekent dit veel minder zekerheid. En het is nog maar de vraag of de vakbonden meestappen in dat verhaal. ILSE DE WITTEBelgische overheidsobligaties brengen al lang niet meer genoeg op om de minimumrendementsgarantie te betalen. "Alle ondernemingen hebben vorig jaar een brief gekregen van hun verzekeraar met de vraag geld bij te storten" Gabriël Delporte, onfederatie Bouw