De stijgende olieprijzen zetten een rem op de groei van de Vlaamse bedrijven. Daarom pleit de werkgeversorganisatie Voka voor een (financieel) ondersteuningsbeleid om energie-efficiënte investeringen aan te moedigen. Milieuadviseur Marc Van den Bosch: "Aangezien Vlaanderen nog altijd elektriciteit uit het buitenland moet importeren, is stabiele regelgeving noodzakelijk om bijkomende (groene) productiecapaciteit te installeren. Bovendien geven wij de voorkeur aan een lagere, maar vaste prijs van de groenestroomcertificaten voor een periode van tien jaar. In Wallonië betalen ze slechts 65 euro in plaats van de huidige marktprijs van 106 euro in Vlaanderen. Daarnaast moeten de heffingen tot op het niveau van de buurlanden zakken. Hetzelfde geldt voor de distributietarieven, die bij ons 10 % tot 20 % hoger liggen dan in het buitenland. Voorts dient het debat over het gebruik van nucleaire energie heropend te worden. Dit is een goedkoop middel om de uitstoot van broeikasgassen te beperken."
...

De stijgende olieprijzen zetten een rem op de groei van de Vlaamse bedrijven. Daarom pleit de werkgeversorganisatie Voka voor een (financieel) ondersteuningsbeleid om energie-efficiënte investeringen aan te moedigen. Milieuadviseur Marc Van den Bosch: "Aangezien Vlaanderen nog altijd elektriciteit uit het buitenland moet importeren, is stabiele regelgeving noodzakelijk om bijkomende (groene) productiecapaciteit te installeren. Bovendien geven wij de voorkeur aan een lagere, maar vaste prijs van de groenestroomcertificaten voor een periode van tien jaar. In Wallonië betalen ze slechts 65 euro in plaats van de huidige marktprijs van 106 euro in Vlaanderen. Daarnaast moeten de heffingen tot op het niveau van de buurlanden zakken. Hetzelfde geldt voor de distributietarieven, die bij ons 10 % tot 20 % hoger liggen dan in het buitenland. Voorts dient het debat over het gebruik van nucleaire energie heropend te worden. Dit is een goedkoop middel om de uitstoot van broeikasgassen te beperken."Uit de studie van het internationale studiebureau GfE blijkt dat de gemiddelde kostprijs van elektriciteit - inclusief alle lasten - voor bedrijven in België nogal meevalt. Annemie Bollen van de Sociaal-Economische Raad voor Vlaanderen (Serv): "Alleen de grote gebruikers (meer dan 41 GWh) in België betalen relatief meer dan in Duitsland of Frankrijk. Maar ná de retroactieve invoering van de Elia-heffing eind 2004 is onze concurrentiepositie slechter geworden. Bovendien blijven de energieprijzen sterk stijgen. Daarom stelden de sociale partners op 15 juni 2005 een versnelde afschaffing van de belasting vanaf 2006 voor." Ondanks de steun van Vlaams minister van Openbare Werken, Energie en Leefmilieu Kris Peeters (CD&V), ging de Vlaamse regering daar niet op in. Dankzij het jongste begrotingsakkoord op federaal vlak zal de Elia-heffing in 2008 verdwijnen. Als tweede optie drong de Serv aan op een kostenverlaging van de groene certificaten zonder de noodzakelijke investeringen in alternatieve energie in gevaar te brengen. Bollen: "Dat is volgens ons mogelijk door minimumprijzen te waarborgen, die per technologie verschillen. Het huidige systeem overstimuleert immers bepaalde bronnen, zoals biomassa. Vandaag krijgen de steenkoolcentrales, die natuurlijke gewassen verbranden, 80 euro per certificaat. Maar dit bedrag ligt hoger dan de gemiddelde kostprijs voor deze vorm van energieproductie." In opdracht van minister van Leefmilieu Peeters onderzoekt de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (Vito) nu de mogelijke pistes om het systeem te verfijnen. Tegen eind 2005 wil het kabinet een wetswijziging. Volgens André Jurres, gedelegeerd bestuurder van Essent, benadeelt het huidige systeem van groenestroomcertificaten de nieuwe spelers op de energiemarkt: "In de eerste plaats is het voor ons veel moeilijker om de quota van hernieuwbare energie te halen, aangezien wij - in tegenstelling tot Electrabel en SPE - over vrijwel geen productiecentra in België beschikken. Daarom zijn we genoodzaakt om onze certificaten bij de concurrentie te kopen. Dat is geen gezonde situatie in een markt die net (gedeeltelijk) geliberaliseerd is."Bovendien bestaat het systeem van groenestroomcertificaten alleen in Vlaanderen. Jurres: "Dat is in een Europese context niet leefbaar. Electrabel rekent de boete voor het niet behalen van hun groene doelstellingen ook gewoon door aan de eindverbruiker. Aangezien haar nucleaire park toch is afgeschreven, heeft deze Franse groep er geen enkel belang bij om dure installaties voor alternatieve energie te bouwen. Nu kost de opwekking van elektriciteit in kerncentrales amper 10 euro per megaton, terwijl de verkoopprijs gemiddeld 40 euro bedraagt. Driekwart van dit bedrag verdwijnt dus naar Parijs. Uiteindelijk draait de consument op voor de laksheid van de oude monopolist. Dat kan toch niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest. Daarom pleit ik voor een feed in-systeem op groene energie in Vlaanderen te bevorderen. Subsidies aan de bron, zoals in Nederland en Duitsland, bieden namelijk de beste waarborgen om nieuwe productie-eenheden voor duurzame energie te bouwen." Tom Willems, energiespecialist van het ACV en voorzitter van de werkgroep energie binnen de Vlaamse klimaatconferentie, relativeert dit protest van de Nederlandse energieleverancier: "Essent wil dat de Vlaamse overheid groenestroomcertificaten uit Nederland - de thuisbasis van de groep - erkent. Maar het systeem is opgezet om duurzame energie in Vlaanderen uit de startblokken te helpen, niet om groene stroom uit het buitenland te subsidiëren. Bovendien was het gewest beperkt in haar mogelijkheden, omdat de tarieven nog altijd een federale bevoegdheid zijn. Daarom heeft de regering indertijd voor quota gekozen om de Europese doelstelling van 6 % tegen 2010 te realiseren. Door een boete van 125 euro per MWh - een pak meer dan de gemiddelde productieprijs van groene energie - op te leggen, dwing je de leveranciers over te schakelen op duurzame alternatieven." Probleem is dat de energiesector nog altijd niet geliberaliseerd is zoals het hoort. Electrabel domineert nog altijd de drie niveaus van productie, levering en distributie. Bovendien beschikt de Franse groep over langetermijncontracten voor de (nog beperkte) connectie met het buitenland. Dat maakt het voor nieuwe spelers zeer moeilijk de Belgische markt binnen te dringen. Daarnaast kampt de ontwikkeling van groene stroom nog met twee belangrijke belemmeringen. In de eerste plaats vergt het nog altijd hemel en aarde om aan de nodige vergunningen te komen. Gelukkig heeft de Vlaamse regering in haar actieplan van 8 juli 2005 een versoepeling en harmonisering van de procedure uitgewerkt. Sommige deelstromen worden zelfs overgesubsidieerd. Willems, tevens voorzitter van de energiewerkgroep binnen de Vlaamse klimaatconferentie: "Door de minimumwaarde van 68 euro per groenestroomcertificaat toe te kennen aan de bijstook van biomassa - vooral olijfpitten en houtafval - in afgeschreven steenkoolcentrales wordt deze alternatieve energievorm te sterk bevoordeeld." Dat is een pervers effect van het huidige systeem. Op een totaal van 300.000 uitgereikte certificaten betekent dit een oversubsidie van naar schatting 15 miljoen euro op jaarbasis. Daarom pleit de Serv voor een differentiatie van de quota per technologie, gekoppeld aan een verlaging van de boeteprijs. Voor minimumprijzen voor de certificaten is dat al gebeurd, maar nog niet voldoende." De Vlaamse klimaatconferentie stelt nu voor om de minimumprijs voor bijstook in klassieke centrales te verlagen. Een verlaging van de boeteprijs kan niet op algemene bijval rekenen. Het moeilijkste punt blijft echter de kostenefficiëntie. Hier liggen de meningen sterk uiteen tussen de verschillende leden. Volgens de werkgeversorganisaties kan de groene stroom enkel overleven door middel van langdurige steunmaatregelen, namelijk certificaten. Bovendien wentelen de producenten hun meerkosten af op de (groot)gebruikers. Daarom vinden de werkgeversorganisaties Agoria en Fedichem duurzame energiebronnen economisch niet verantwoord en bijgevolg niet duurzaam. Zo is de energie-intensieve industrie vragende partij voor een verdere vrijstelling van de groenestroomverplichting en een sterke verlaging van de boeteprijs, al dan niet gerelateerd aan het type van technologie. "Maar een echte internalisering van de kosten houdt rekening met de milieuschade en de nadelige effecten voor de volksgezondheid," vindt Willems. "Dat is in klassieke elektriciteitscentrales zeker niet het geval. Daarom zijn ze per definitie goedkoper dan hernieuwbare energiebronnen, die weinig of niets vervuilen. Uit de jongste studie van de Vlaamse Instelling voor Technologische Ontwikkeling (Vito) uit april 2005 blijkt dat windenergie nu al concurrerend is als je de externe kosten internaliseert. De maatschappij is dus wel gebaat bij elektriciteitsopwekking uit groene stroom. Bovendien wordt de hernieuwbare energie zelfs zonder internalisering van de kosten steeds competitiever met de stijgende prijs van fossiele brandstoffen, de vooruitgang van de technologie en de invoering van verhandelbare emissierechten."De Vlaamse overheid negeert de mogelijkheden van groene warmte. Dit is energie, die vrijkomt bij het opwekken van elektriciteit of het vergisten van biomassa. In tegenstelling tot fossiele brandstoffen, ligt het omzettingsrendement erg laag. Bovendien moet de groene warmte lokaal geproduceerd en geconsumeerd worden. Maar dat betekent niet dat deze energiebron heel wat CO2 kan besparen. Uit een Vito-studie over hernieuwbare warmte uit biomassa in Vlaanderen blijkt dat groene warmte een potentieel heeft van 3,8 PJ. Een deel van dat potentieel zit in warmtekrachtkoppeling (WKK), dat groene warmte en groene stroom combineert. Daarom pleit het platform voor anaërobe vergisting in Vlaanderen voor een vergoeding voor groene warmte. Het kan niet zijn dat bedrijven die (alleen) groene warmte produceren hiervoor niet vergoed worden. Het past perfect binnen de filosofie van de groenestroomcertificaten, namelijk dat voor het produceren van deze energie (warmte) geen aanspraak gemaakt wordt op fossiele brandstoffen. Bovendien is het energetisch rendement van warmteproductie veel hoger dan van elektriciteitsproductie. Projecten in Denemarken tonen aan dat publiek-private samenwerkingsverbanden (PPS) rendabel kunnen zijn dankzij diverse synergieën: de opbrengsten komen uit de verkoop van elektriciteit, gas en warmte en zijn voor de uitbater van de installatie. Landbouwers delen niet in de winst, maar halen voordeel uit de afzet van hun vloeibare mest en de terugname van het digestaat onder de vorm van hoogwaardige organische mest. Ondertussen zijn energiebedrijven elk vanuit hun specifieke motivatie tegen het systeem van de groene-stroomcertificaten in beroep gegaan. Tot voor kort betaalde Electrabel zelfs de jaarlijkse boetes niet, maar dat werd in september 2005 rechtgezet. Het totale bedrag, goed voor zo'n 50 miljoen euro, staat nu op een geblokkeerde rekening van het Fonds voor Hernieuwbare Energie. De producenten behouden wel het recht om dat geld terug te vorderen als de rechtbank hen gelijk geeft. Om uit de impasse te geraken, onderhandelt de Belgische energieregulator Vreg nu over een mogelijke dading. In ruil voor een verlaging van de boetes en quota zouden de elektriciteitsmaatschappijen nu toch bereid zijn hun klacht in te trekken. Willems: "Toch hebben zij al hun boetes doorgerekend aan de klant. De vraag blijft of ze nu ook een korting gaan krijgen als de boete verlaagd wordt."Eric Pompen Eric Pompen"Elektriciteit opwekken in kerncentrales kost vandaag amper 10 euro per megaton, terwijl de verkoopprijs gemiddeld 40 euro bedraagt. Driekwart van dit bedrag verdwijnt dus naar Parijs."