De vrije markt zal het klimaat niet redden. Tenminste: niet alleen", stelt Christophe Brognaux, senior partner en managing director bij The Boston Consulting Group (BCG). "Kijk naar de energiemarkt. In een vrije markt moet je prijzen zeer laag en zeer hoog durven te laten gaan. Maar eigenlijk wil niemand dat. En dus is er nergens een echt vrije markt."
...

De vrije markt zal het klimaat niet redden. Tenminste: niet alleen", stelt Christophe Brognaux, senior partner en managing director bij The Boston Consulting Group (BCG). "Kijk naar de energiemarkt. In een vrije markt moet je prijzen zeer laag en zeer hoog durven te laten gaan. Maar eigenlijk wil niemand dat. En dus is er nergens een echt vrije markt." Nochtans moet er wel iets gebeuren. Volgens het klimaatakkoord van Parijs moeten we de temperatuurstijging tegen 2100 zien te beperken tot 2 graden. Als we dat doel willen bereiken, zijn we niet goed bezig, stelt Brognaux. "Het is geen kwestie van niet op het juiste spoor te zitten, we zijn compleet van de rails. En alle hoeraberichten over het bereiken van het akkoord hebben het probleem vooral verergerd. Iedereen dacht blijkbaar dat er geen inspanningen meer nodig waren. We moeten juist een veelheid aan maatregelen nemen en we moeten dat snel doen. Bovendien zal het heil niet alleen van de economie moeten komen, maar ook van regulering." Nodig zijn onder andere investeringen in energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, elektrificatie, andere oplossingen voor zwaar vervoer en de uitstap uit kolen voor energieproductie. "Voor sommige landen zijn dat harde noten om te kraken. Een land als Indonesië beschikt over goedkope kolen, maar moet dan Australisch gas of Chinese zonne-energie importeren. De westerse wereld en China moeten tegen 2050 volledig uit kolen zijn gestapt, ontwikkelingslanden tien jaar later. Maar er worden nog altijd kolencentrales bijgebouwd." Een remmende factor is de algemene wijsheid dat investeren in een beter klimaat ten koste gaat van de eigen economie. Dat lijkt logisch: maatregelen voor energie-efficiëntie kosten geld, zeker in een eerste fase. Geld dat concurrenten elders niet op tafel hoeven te leggen. Dat 'nadeel van de pionier' is een klassieke reden om bijvoorbeeld tegen de invoer van een Europese CO2-taks te zijn: de eigen industrie gaat eraan ten onder, terwijl voor het klimaat niets verandert. Volgens BCG klopt dat niet noodzakelijk. De consultant onderzocht het reductiepotentieel in zeven grote landen, die samen goed zijn voor meer dan 60 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. De Verenigde Staten, China, India, Rusland, Brazilië, Zuid-Afrika en Duitsland blijken driekwart van hun doelstellingen voor 2050 te kunnen halen met de huidige technologie én er tegelijk economisch beter van worden. Indien ze internationaal kunnen samenwerken, kan het percentage nog oplopen: voor Duitsland bijvoorbeeld tot 95 procent. "Zelfs China en de VS, de grootste twee economieën ter wereld, kunnen het klimaatprobleem niet alleen oplossen", weet Brognaux. "Indien zij, samen met de Europese Unie, een CO2-prijs invoeren en importheffingen voor landen die dat niet doen, kan het wel werken. Alleen moet je er als consequentie bij nemen dat armere landen langer arm zullen blijven, tenzij we hen helpen bij hun energietransitie." Zelfs wanneer ze het alleen doen, levert de omslag naar een ambitieus klimaatbeleid de onderzochte landen een beperkte positieve economische impact op. "Er is uiteraard wel een interne verschuiving. Sectoren die infrastructuur bouwen of oplossingen voor hernieuwbare energie of mobiliteit leveren, zullen beter af zijn dan sectoren die draaien op fossiele brandstoffen. In niches kan je als land wél profiteren van een voordeel voor de pioniers. Denk maar aan de Deense windmolenbouwers en de Duitse omvormers voor zonnepanelen of batterijen. Je moet dus niet noodzakelijk gaan voor fancy nieuwe technologieën en die veel te subsidiëren. Je moet wel nadenken over de zaken waarop je wil inspelen. Een goede tactiek lijkt me in te spelen op de zware industrie die je hebt." Zo pleit BCG ervoor biomassa uitsluitend te gebruiken als energie- en warmtebron voor de industrie. Die heeft een permanente stroom- en warmtebevoorrading nodig, terwijl de grondstoffen niet onuitputtelijk zijn. "Als je de kosten voor de gemeenschap zo laag mogelijk wil houden, kan je individuele huizen veel beter goed isoleren, en warmtepompen of warmtenetten op wijkniveau installeren. Die warmtenetten kan je beter voeden met gas, dat op termijn steeds schoner kan worden door het te vermengen met biogas, waterstof en uiteindelijk over te schakelen op synthetisch gas." De achilleshiel is dat zoiets een meer centraal geplande aansturing vergt, en dat is niet altijd eenvoudig. "Zulke grote veranderingen moet je voorbij verkiezingsuitslagen kunnen tillen. Anders dreigt een bommentapijt aan maatregelen die niet werken. In sommige landen is dat eenvoudiger. Als China weer blauwe lucht wil in Sjanghai en Peking, dan gaat het beleid ook in die richting. Europa heeft visie, doorgaans meer dan de lidstaten, maar te weinig macht. In de praktijk worden de grote stappen gedaan door landen als Noorwegen, Duitsland, Denemarken, of staten als Texas, Californië en New York." Hoewel hij principieel een voorstander is van de vrije markt, beseft Brognaux dat die niet altijd de beste resultaten oplevert. "In de VS heb je gereguleerde en niet-gereguleerde energiemarkten. Uit studies blijkt dat energiebedrijven in vrije markten weliswaar lagere operationele kosten hebben - brandstof, personeel, onderhoud - maar hogere kapitaalkosten. Het eindresultaat is dat hun kosten hoger liggen. Dus denk ik dat je concurrentie vooral goed moet organiseren, bijvoorbeeld door aanbestedingen voor de capaciteit die je wil hebben." Dat geldt ook voor het klimaatbeleid. "Je moet je veldslagen kiezen. Als je wil dat huizen vijf jaar na aankoop hun energieprestaties gevoelig verbeteren, dan moet je eigenaars helpen te investeren. Op een grotere schaal geldt dat ook voor landen en het internationale handelssysteem voor uitstootcertificaten. Het idee erachter is goed, maar het is niet de ultieme oplossing. Landen met lage uitstootdoelen hebben geen baat bij die handel, en hebben veeleer behoefte aan goedkope financieringsmechanismes om hun investeringen te schragen."