Werknemers, bedrijfsleiders en beoefenaars van vrije beroepen hebben de keuze tussen het bewijs van hun werkelijke beroepskosten, en de aftrek van het kostenforfait. Dat laatste is voor hen automatisch van toepassing als ze hun werkelijke kosten niet bewijzen, of als de bewezen kosten lager zijn dan het kostenforfait.
...

Werknemers, bedrijfsleiders en beoefenaars van vrije beroepen hebben de keuze tussen het bewijs van hun werkelijke beroepskosten, en de aftrek van het kostenforfait. Dat laatste is voor hen automatisch van toepassing als ze hun werkelijke kosten niet bewijzen, of als de bewezen kosten lager zijn dan het kostenforfait.Kostenforfait. De meeste werknemers hebben geen beroepskosten die boven het kostenforfait uitstijgen. Voor werknemers en beoefenaars van vrije beroepen is het kostenforfait voor het aanslagjaar 2003 (inkomsten van 2002) immers gelijk aan 23% van de eerste schijf van 4420 euro, 10% op de volgende schijf van 4370 euro, 5% op de daaropvolgende schijf van 5840 euro en 3% op het saldo. Met dien verstande dat het kostenforfait per beroepscategorie nooit hoger kan zijn dan (voor hetzelfde aanslagjaar) 2950 euro. Een voorbeeld? Een werknemer heeft een bruto belastbaar beroepsinkomen van 25.000 euro. Rekening houdend met de genoemde percentages, heeft hij voor het aanslagjaar 2003 recht op een aftrekbaar kostenforfait van 2056,70 euro. Het bewijs van zijn werkelijke beroepskosten loont slechts als hij er meer heeft. Meestal heeft hij die niet. En heeft hij er wel, dan moet men nog rekening houden met afgeleide effecten. Want wie hogere werkelijke beroepskosten bewijst, verliest het recht op de vrijstelling van de werkgeversbijdrage in de kosten van het woon-werkverkeer. Pendelaar. Hogere werkelijke beroepskosten zullen bijvoorbeeld wel voorkomen bij pendelaars die dagelijks een lange afstand moeten overbruggen tussen hun woonplaats en de plaats van tewerkstelling. Als ze die verplaatsing met de eigen wagen doen, mogen ze daarvoor 0,15 euro per kilometer in rekening brengen. Ongeacht het aantal kilometers. Iemand die bijvoorbeeld in Oostende woont en in Brussel werkt, en elke dag met de eigen auto heen en terug rijdt, zal gegarandeerd hogere werkelijke kosten kunnen bewijzen dan het kostenforfait. De afstand Oostende-Brussel bedraagt ongeveer 120 kilometer. Het aantal werkdagen per jaar ongeveer 220. Hij zal bijgevolg (120 kilometer x 2 keer per dag x 220 dagen x 0,15 euro) = 7920 euro aan werkelijke beroepskosten voor het woon-werkverkeer in rekening kunnen brengen. Aanzienlijk meer dus dan het kostenforfait. Een collega, die dezelfde afstand bijvoorbeeld met de trein pendelt, komt nooit aan dat bedrag. Een zogenaamde trajecttreinkaart Oostende-Brussel, tweede klas, kost op jaarbasis slechts 1569 euro. In het voorbeeld van een werknemer met een jaarbezoldiging van 25.000 euro is dat aanzienlijk minder dan het kostenforfait waarop hij recht heeft (voor het aanslagjaar 2003 is dat, zoals gezegd, 2056,70 euro). Hij heeft dus geen baat bij het bewijs van zijn werkelijke beroepskosten, tenzij hij naast zijn verplaatsingskosten nog andere werkelijke beroepskosten heeft.Nieuwe regeling. Met ingang van het aanslagjaar 2002 werd een nieuwe regeling ingevoerd, maar ook die helpt hem niet of nauwelijks vooruit. De regel schrijft het volgende voor: belastingplichtigen die voor hun woon-werkverkeer gebruikmaken van een ander vervoermiddel dan hun eigen wagen, maar geen bewijsstukken voorleggen van de echte kosten van dat vervoer, hebben ook recht op de aftrek van 0,15 euro per kilometer. Maar de aftrek is hier beperkt tot maximaal 25 kilometer enkele rit. Het voordeel dat deze regeling kan opleveren, is (alweer in de veronderstelling dat een werkjaar 220 werkdagen telt en men per dag slechts één keer pendelt) in ieder geval beperkt tot (25 kilometer enkele rit x 2 verplaatsingen x 220 werkdagen x 0,15 euro) = 1650 euro. In het voorbeeld van de Oostendenaar die dagelijks met de trein heen en terug gaat, is dat nauwelijks meer dan de kostprijs van zijn treinabonnement. Verdubbeling. Maar er breken betere tijden aan. De regering heeft enkele weken geleden immers beslist dat het maximaal aantal kilometers waarmee in deze laatste regeling rekening mag worden gehouden, verdubbeld wordt van 25 kilometer enkele rit naar 50 kilometer enkele rit. De verdubbeling zal gelden met ingang van het aanslagjaar 2003 (inkomsten van 2002). En dat opent bijvoorbeeld voor treinpendelaars wel perspectieven. Neem bijvoorbeeld iemand die in Namen woont, en elke dag met de trein naar Brussel pendelt. Een trajecttreinkaart Namen-Brussel tweede klas kost op dit ogenblik 1011 euro. Meestal zal dat te weinig zijn om de aftrek van de werkelijke beroepskosten lonend te maken. Maar vanaf het volgende aanslagjaar ziet het plaatje er totaal anders uit. Namen-Brussel is ongeveer 58 kilometer. Voor die afstand zal nu 50 kilometer enkele rit in rekening gebracht kunnen worden tegen 0,15 euro per kilometer. Op jaarbasis komt de aftrek zo uit op (50 kilometer x 2 verplaatsingen x 220 werkdagen x 0,15 euro) = 3300 euro. Dat is in elk geval meer dan het plafond van het aftrekbaar kostenforfait (2950 euro). En in het voorbeeld van de werknemer met een jaarloon van 25.000 euro is het aanzienlijk meer dan het kostenforfait van 2056,70 euro waarop hij recht heeft. Verlies. Het enige wat hij daarvoor moet doen, is zich onthouden van het bewijs hoeveel het woon-werkverkeer (dat hij in casu met de trein doet) in werkelijkheid kost. Let wel, door een beroep te doen op de aftrek van 0,15 euro per kilometer verliest hij de vrijstelling van de werkgeversbijdrage in de kosten van het woon-werkverkeer. Maar dan nog kan de nieuwe regeling voordeliger zijn. Dat is ze in elk geval als die bijdrage verwaarloosbaar of onbestaande is. Jan Van Dyck [{ssquf}]De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.De grens van 25 kilometer voor een enkele rit wordt verdubbeld.