De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Net zoals bij kleding, bestaan er ook op fiscaal gebied modetrends. Die manifesteren zich vooral wanneer de fiscus op zoek gaat naar nieuwe inkomsten. Zo is het tegenwoordig 'in' om geld te zoeken bij de beleggingsinstellingen, banken en verzekeraars. Getuige daarvan het ontwerp van programmawet dat op dit ogenblik in het Parlement wordt besproken. Het voorziet zowel in een verbreding van de belastbare grondslag als in een tariefverhoging van de bijzondere 'jaarlijkse taks' die deze instellingen zijn verschuldigd. Stimulansen. Modetrends zijn er ook op het gebied van de fiscale stimulansen. Zo zijn er tijden geweest dat de fiscale wetgever het bedrijfsleven wou steunen door op fiscaal gebied in bijzondere of bijkomende afschrijvingsmogelijkheden te voorzien. Of door bijzondere fiscale aftrekposten te creëren, bijvoorbeeld op basis van bijkomende tewerkstelling. En net zoals dat op het gebied van de kleding het geval is, zijn er ook in fiscale zaken weerkerende trends. Zo was er begin de jaren tachtig de figuur van de investeringsreserve, die onlangs - overigens in sterk gewijzigde vorm - weer is opgedoken bij de hervorming van de vennootschapsbelasting. Bedrijfsvoorheffing. Een nieuwe trend manifesteert zich nu op het niveau van de bedrijfsvoorheffing. Werkgevers moeten bedrijfsvoorheffing inhouden op de lonen die zij uitkeren. Zij moeten de ingehouden bedrijfsvoorheffing vervolgens doorstorten naar de schatkist. De ingehouden en doorgestorte voorheffing zal nadien worden verrekend met de personenbelasting die de werknemers uiteindelijk zijn verschuldigd. Het mechanisme van de bedrijfsvoorheffing is er dus een van communicerende vaten. Datgene wat wordt ingehouden en doorgestort, zal vervolgens ook door de betrokken werknemer kunnen worden verrekend. De volgende vraag is dan, wat er gebeurt als de bedrijfsvoorheffing wel wordt ingehouden, maar om een of andere reden (bijvoorbeeld, wegens het faillissement van de werkgever) niet wordt doorgestort? Kan de werknemer de ingehouden bedrijfsvoorheffing dan alsnog verrekenen? De discussie daarover is geen jaar geleden door de wetgever opgelost, door uitdrukkelijk te stellen dat de bedrijfsvoorheffing die is ingehouden, ook effectief verrekenbaar is, zelfs als die om de een of andere reden niet naar de schatkist is doorgestort. Lucht. Het wetgevende initiatief kwam overigens niet zomaar uit de lucht vallen. De fiscale wetgever was op zoek naar middelen om bepaalde sectoren fiscaal te stimuleren. Een van de ideeën was daarvoor gebruik te maken van het stelsel van de bedrijfsvoorheffing. Zo zou men bijvoorbeeld bepaalde werkgevers kunnen toelaten om niet het geheel van de ingehouden bedrijfsvoorheffing door te storten naar de schatkist. Maar daarmee zouden de betrokken werknemers meteen in de wind worden gezet. Zij riskeerden dan immers niet langer het geheel van de ingehouden bedrijfsvoorheffing te kunnen verrekenen. Vandaar dat de wet in allerijl werd aangepast. Sindsdien luidt het dat de ingehouden bedrijfsvoorheffing verrekenbaar is, ook als zij niet effectief wordt doorgestort. Sectoren. De wetgever heeft van deze nieuwe regeling meteen gebruikgemaakt om ten aanzien van twee sectoren in een fiscale gunstregeling te voorzien. De eerste betreft de sector van het wetenschappelijk onderzoek, de tweede die van de zeevisserij. De voorwaarden verschillen, maar het basisprincipe komt op hetzelfde neer. In beide sectoren worden de werkgevers ervan ontslagen het geheel van de ingehouden bedrijfsvoorheffing door te storten naar de schatkist. Zij mogen een deel in eigen zak steken (of in het geval van de zeevisserij, in de zak van het Zeevissersfonds). De betrokken werknemers merken er niets van. Zij ontvangen, zoals voorheen, hun nettoloon en mogen de ingehouden bedrijfsvoorheffing nadien ook volledig verrekenen, ook al is die niet volledig naar de schatkist doorgestort. Uit het ontwerp van programmawet dat op dit ogenblik in het Parlement wordt voorbereid, blijkt dat de regering naar deze techniek teruggrijpt om een zekere verlichting door te voeren ten aanzien van bedrijven die werken met ploegen- of nachtarbeid en daarvoor aan hun werknemers ploegenpremies uitbetalen. De fiscale stimulans zal erin bestaan dat zij een bepaald gedeelte van de effectief ingehouden bedrijfsvoorheffing niet zullen moeten doorstorten naar de schatkist (terwijl die in hoofde van de werknemers toch verrekenbaar zal zijn). Dit gedeelte zal - zodra het nieuwe stelsel op kruissnelheid is - gelijk zijn aan 1 % van de bezoldigingen van de werknemers die met deze ploegen- of nachtarbeid worden geconfronteerd. Aan de nieuwe regeling zijn, zoals gebruikelijk, de nodige voorwaarden en beperkingen verbonden. Zo zal bijvoorbeeld het gedeelte van de bezoldiging dat uit vakantiegeld of eindejaarspremies bestaat, uit de berekeningsbasis worden geweerd. En werkgevers uit de non-profitsector zullen het voordeel meestal niet kunnen genieten. Europa. De nieuwe regeling treedt niet onmiddellijk in werking. Europa moet zijn goedkeuring geven. Bovendien voorziet de Belgische wetgever in een overgangsregeling. De 1 %-regeling zal pas vanaf 2005 effectief uitwerking hebben. Volgend jaar zal het voordeel - in een overgangsregeling en in de veronderstelling dat de Europese Commissie haar fiat geeft - hoogstens 0,5 % bedragen (in plaats van 1 %). Jan Van DyckDe werknemers zullen nooit merken dat de bedrijfsheffing is ingehouden.