De afgelopen maanden is het woord 'fatsoen' verschillende keren opnieuw opgedoken in het maatschappelijke debat. In de discussies over de torenhoge vergoedingen voor bankiers gebruikte een kwaliteitskrant letterlijk de woorden 'maatschappelijk fatsoen'. Lange tijd werd nochtans de draak gestoken met 'goed fatsoen' en iemand die fatsoensargumenten gebruikte in een discussie kon erop rekenen bedekt met pek en veren als een moraalridder de laan te worden uitgejaagd. Wat is er aan de hand dat fatsoensargumenten opnieuw aan gewicht winnen?
...

De afgelopen maanden is het woord 'fatsoen' verschillende keren opnieuw opgedoken in het maatschappelijke debat. In de discussies over de torenhoge vergoedingen voor bankiers gebruikte een kwaliteitskrant letterlijk de woorden 'maatschappelijk fatsoen'. Lange tijd werd nochtans de draak gestoken met 'goed fatsoen' en iemand die fatsoensargumenten gebruikte in een discussie kon erop rekenen bedekt met pek en veren als een moraalridder de laan te worden uitgejaagd. Wat is er aan de hand dat fatsoensargumenten opnieuw aan gewicht winnen? In feite gaat het om een eeuwenoud verschijnsel waarvoor de Romeinen al een spreuk hadden: ' Quid leges sine moribus?', meestal vertaald als 'Wat is het recht zonder moraal?', maar misschien zou 'fatsoen' een betere vertaling zijn. Recht kan niet functioneren zonder gedragen te worden door morele of fatsoensregels die in het verlengde van het recht liggen en de naleving ervan ondersteunen. Dit weefsel van morele en fatsoensregels is de afgelopen generaties voortdurend verschrompeld, waardoor steeds meer mensen ieder gedrag dat niet door formele rechtsregels verboden of bestraft wordt als toegelaten beschouwen. Vandaar dat rechtsregels ook in toenemende mate gebruikt worden als een vervangmiddel voor falende moraal of fatsoen. De exploderende vergoedingen voor toplui uit het bedrijfsleven zijn een goed voorbeeld. Buiten het vage verbod van misbruik van vennootschapsvermogen is er geen wet die maxima oplegt. Het enige middel om die effectief aan banden te leggen, is de instelling van een wettelijk maximum. Terecht wordt gesteld dat zoiets niet bij wet maar bij gedragscode zou moeten worden geregeld, maar een aantal bedrijfsleiders heeft zich duidelijk niet aan een gedragscode gehouden. Een ander voorbeeld is het voorstel om roken binnenshuis in aanwezigheid van kinderen te verbieden. Wetende dat roken schadelijk is voor de gezondheid, vooral voor jonge kinderen, zullen heel wat volwassenen buiten gaan als ze een sigaret opsteken. Moet die norm, bij niet-naleving, door de wet worden afgedwongen? De vervanging van morele en fatsoensnormen door wetten heeft verregaande gevolgen. Een wet wordt afgedwongen door het openbaar gezag. Wetten die niet effectief maar slechts toevallig kunnen worden afgedwongen, ondermijnen het gezag van de overheid en bemoeilijken de naleving van andere, meer essentiële wetten. De veralgemening van het wettelijke afdwingen van normen versterkt ook het repressieve karakter van een maatschappij. Ondanks de algemene mening dat juristen recht kunnen maken wat krom is, is het recht in vergelijking met morele en fatsoensnormen vaak hard en onbuigzaam: wanneer de overtreding van de norm ondubbelzinnig wordt vastgesteld, moet de sanctie worden toegepast. Het antwoord op de meestal zeer vage kritiek van maatschappelijke verloedering en verruwing is dat iedereen er zich van bewust moet zijn dat met recht alleen er geen menselijke samenleving op te bouwen valt. Daar is meer voor nodig in de vorm van morele en fatsoensnormen. Het probleem van onze maatschappij is dat er over veel normen nagenoeg geen consensus meer bestaat. De twee bovenstaande voorbeelden zijn nog gemakkelijk en wellicht is hierover nog een maatschappelijke consensus mogelijk, maar wanneer de focus verschuift naar domeinen als abortus, euthanasie of de verhouding tussen regering en gerecht, is het duidelijk dat het debat vaak heel moeilijk ligt. Meteen is ook duidelijk dat een scherpe rechtsnorm slechts het ultieme middel is om deze problemen in laatste instantie op te lossen. Een morele normering laat veel meer nuances toe en aanpassing aan de feitelijke omstandigheden. Toch is het onvermijdelijk dat onze maatschappij meer aandacht zal moeten besteden aan moraal en fatsoen. Technische vooruitgang maakt onze samenleving steeds ingewikkelder en bijgevolg moet de normering ook steeds genuanceerder worden. De algemeenheid waarin wetten geformuleerd moeten worden, bemoeilijkt zo'n nuancering. Bij de uitwerking van morele normen worden we in onze postmoderne maatschappij bovendien geconfronteerd met nog een ander probleem. Morele en fatsoensnormen zijn normen waarbij men zich conformeert aan beperkingen en grenzen, die men eigenlijk ongestraft kan negeren. De voorbeelden hierboven maken duidelijk dat moraal een beperking inhoudt van gedrag dat niet alleen fysisch mogelijk is, maar ook wettelijk toegelaten. Deze zelf opgelegde beperking botst met het ideaal van de vrije ontplooiing van onze persoonlijkheid dat de postmoderne mens zo hoog in zijn vaandel voert. Toch zullen we moeten kiezen. Ofwel beperken we ons vrijwillig in een maatschappelijk debat dat leidt tot een sterkere morele normering gebaseerd op consensus, ofwel zullen ons in toenemende mate morele normen worden opgelegd bij wet, die wordt goedgekeurd door de politieke meerderheid van de dag. (T) DE AUTEUR IS PROFESSOR EMERITUS KULEUVEN. Frans Vanistendael